Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Amsterdam, 12 februari 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:3257Zaaknummer 10510948 \ CV EXPL 23-7170
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 12 februari 2026
- Publicatiedatum
- 13 april 2026
- Zaaknummer
- 10510948 \ CV EXPL 23-7170
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Verstek, Tussenuitspraak
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verstekzaak; tussenvonnis. Particulier onderwijs; vordering tot betaling factuur. Eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de wijze van totstandkoming van de overeenkomst, dat voldaan is aan de informatieplichten en over de (on)eerlijkheid van onder meer het prijsbeding.
3 De beslissing
De kantonrechter
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van donderdag 12 maart 2026 voor het nemen van een akte door eisende partij over wat is vermeld onder 2.4. en 2.7.,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.
57327
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10510948 \ CV EXPL 23-7170
Vonnis van 12 februari 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats],
eisende partij,
gemachtigde: mr. E. Holthuizen,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats],
gedaagde partij,
niet verschenen.
1 De procedure
Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard op 2 mei 2023. Gedaagde partij is niet verschenen en heeft ook niet schriftelijk gereageerd. Tegen hem is daarom verstek verleend.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.
2 De beoordeling
Volgens eisende partij is tussen partijen een opleidingsovereenkomst tot stand gekomen voor het volgen van een [opleiding]. Op de overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden Consumenten NRTO d.d. 1 januari 2019 van toepassing (hierna: de algemene voorwaarden). De vergoeding voor de opleiding bedraagt € 5.800,00, met een opslag van 4% aan administratiekosten wegens betalen in maandtermijnen. Gedaagde partij heeft de maandtermijnen niet voldaan, en eisende partij vordert daarom in totaal een bedrag van € 6.032,00. Verder vordert eisende partij buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente, met veroordeling van gedaagde partij in de proceskosten.
Eisende partij is een handelaar. Gedaagde partij is een consument, althans wordt vermoed consument te zijn. In dat geval moet ambtshalve worden getoetst aan het consumentenrecht. De kantonrechter moet onder meer onderzoeken of eisende partij haar informatieverplichtingen heeft nageleefd. Ook moet de overeenkomst worden getoetst aan de Richtlijn oneerlijke bedingen (93/13/EG, hierna: de richtlijn).
Eisende partij heeft een offerte overgelegd, die door gedaagde partij digitaal is ondertekend. Gesteld noch gebleken is hoe gedaagde partij over die offerte is komen te beschikken. Dat is van belang voor de vraag hoe de overeenkomst moet worden gekwalificeerd en daarmee ook welke informatieplichten van toepassing zijn.
Eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld de feitelijke totstandkoming van de overeenkomst nader toe te lichten en gemotiveerd te stellen op welke wijze zij heeft voldaan aan de toepasselijke informatieplichten. Deze stellingen dienen zo nodig te worden onderbouwd met bewijsstukken.
Met de overgelegde offerte, in combinatie met de overgelegde algemene voorwaarden die op de overeenkomst van toepassing zijn verklaard, kan worden getoetst aan de richtlijn.
De gevorderde hoofdsom is gebaseerd op een beding dat ziet op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, namelijk de prijs. In de overeenkomst staat het volgende prijsbeding:
‘Aantal Omschrijving Kosten
1. Bootcamp: Bootcamp: Full-stack € 5.500,-
Developer
1. Studiemateriaal € 300,-
Totaal € 5.800,-
Je hebt gekozen voor de betaalmethode: Maandtermijnen ( +4%
Administratiekosten)
Je kosten (per termijn) zijn: Per maand € 1005,-’
Ambtshalve toetsing van een prijsbeding is ingevolge artikel 4 lid 2 van de richtlijn alleen aan de orde als deze niet duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd. De kantonrechter oordeelt dat het prijsbeding niet transparant is, omdat uit het beding niet duidelijk blijkt over welk bedrag de 4% administratiekosten worden berekend en omdat uit het beding niet kan worden afgeleid wat de totale prijs is van de opleiding, wanneer de consument kiest voor betaling in maandelijkse termijnen. Omdat het beding niet transparant is, moet deze op oneerlijkheid worden getoetst. Eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de (on)eerlijkheid van het beding.
Eisende partij vordert verder de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. In artikel 11 van de algemene voorwaarden staat een beding dat ziet op het in rekening brengen van rente en incassokosten. In het beding wordt verwezen naar de wettelijke rente. Ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten is in het beding opgenomen dat twee keer een kosteloze betalingsherinnering wordt gestuurd. Verder zijn de tarieven die worden genoemd in overeenstemming met de wettelijke regeling omtrent incassokosten. Het beding is daarom niet oneerlijk.
De zaak wordt voor het nemen van een akte door eisende partij over het bepaalde in overweging 2.4. en 2.7. verwezen naar de rol over vier weken.
Eisende partij dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan gedaagde partij te sturen, met de mededeling dat gedaagde partij op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer gedaagde partijuiterlijk moet reageren. Eisende partij wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3 De beslissing
De kantonrechter
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van donderdag 12 maart 2026 voor het nemen van een akte door eisende partij over wat is vermeld onder 2.4. en 2.7.,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.
57327
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.