Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Amsterdam, 5 maart 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:3021Zaaknummer 11170737 \ CV EXPL 24-7672
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 5 maart 2026
- Publicatiedatum
- 3 april 2026
- Zaaknummer
- 11170737 \ CV EXPL 24-7672
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Verstek
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verstek. Vordering komt ongegrond voor, omdat niet is komen vast te staan dat de vader van gedaagde gemachtigd was om namens zijn zoon te handelen. Artikel 3:61 lid 2 BW en artikel 3:35 BW.
3 De beslissing
De kantonrechter
wijst de vordering af,
veroordeelt eisende partij in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde partij begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026.
991
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11170737 \ CV EXPL 24-7672
Vonnis van 5 maart 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser],
gevestigd te [vestigingsplaats],
eisende partij,
gemachtigde: De Best en Partners,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
niet verschenen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 23 oktober 2025,- de akte van eisende partij.
Gedaagde partij heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet gereageerd op de akte van eisende partij.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De verdere beoordeling
Bij voornoemd tussenvonnis is eisende partij, kort gezegd, in de gelegenheid gesteld zich (nader) uit te laten over:
- de wijze waarop de overeenkomst is gesloten,
- hoe is voldaan aan de informatieplichten,
- de transparantie van het beding over de prijs,
- de toepasselijkheid c.q. het hanteren van algemene voorwaarden,
- de (on)eerlijkheid van de bedingen die aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd, en
- de gevolgen van eventuele vernietiging van deze bedingen voor het geval ze als oneerlijk worden aangemerkt.
Eisende partij heeft bij akte toegelicht dat niet gedaagde partij, maar de vader van gedaagde partij de opdracht heeft gegeven voor het uitvoeren van werkzaamheden aan de auto. Gedaagde partij is eigenaar van de auto, maar de vader van gedaagde partij meldt zich altijd bij eisende partij voor reparaties en onderhoud. Gelet op de langere relatie, waarbij eerdere facturen ook telkens zijn voldaan, heeft eisende partij erop vertrouwd dat de vader van gedaagde partij namens hem sprak en handelde, aldus – steeds – eisende partij.
Op grond van de nadere toelichting wordt vastgesteld dat eisende partij de kantonrechter in de dagvaarding onjuist heeft voorgelicht. Daarin staat immers dat gedaagde partij de opdracht heeft gegeven tot het uitvoeren van reparatie- en onderhoudswerkzaamheden. Dat is in strijd met de waarheid.
Los daarvan, moet ingevolge artikel 3:61 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) sprake zijn van een verklaring of gedraging door gedaagde partij, voordat eisende partij had mogen aannemen dat aan de vader van gedaagde partij een toereikende volmacht was verleend. In navolging daarvan past eisende partij het leerstuk van het gerechtvaardigde vertrouwen (artikel 3:35 BW) op onjuiste wijze toe. Ook daar geldt dat uitsluitend door een verklaring of gedraging door gedaagde partij eisende partij erop moet hebben kunnen vertrouwen dat zijn vader namens hem handelde of sprak. Gesteld noch gebleken is dat daarvan sprake is geweest. Eisende partij benoemt uitsluitend het handelen van de vader van gedaagde partij.
Nu niet is komen vast te staan dat de vader gemachtigd was om namens zijn zoon te handelen, heeft eisende partij onvoldoende gesteld dat gedaagde partij aan de overeenkomst is gebonden. De vordering komt dan ook ongegrond voor en zal worden afgewezen.
Eisende partij wordt bij deze uitkomst als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van gedaagde partij worden begroot op nihil.
3 De beslissing
De kantonrechter
wijst de vordering af,
veroordeelt eisende partij in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde partij begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026.
991
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.