Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Amsterdam, 6 maart 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:2649Zaaknummer 11631062 \ CV EXPL 25-5368

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
11631062 \ CV EXPL 25-5368
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Tussenuitspraak
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Eiseres krijgt de gelegenheid om per factuur toe te lichten uit welke specifieke correspondentie die is voortgekomen.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

verwijst de zaak naar de rol van 3 april 2026 voor akte uitlating van [eiseres] met het hiervoor in 2.8 omschreven doel,

3.2.

verwijst de zaak naar de rol van 1 mei 2026 voor antwoordakte van [gedaagde],

3.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.F. Groot, kantonrechter, bijgestaan door mr. L.J.P.C. Silven, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De verdere beoordeling
  3. 3 De beslissing

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 11631062 \ CV EXPL 25-5368

Vonnis van 6 maart 2026 (bij vervroeging)

in de zaak van

de vennootschap onder firma

V.O.F. [eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats 1],

eiseres,

hierna te noemen: [eiseres],

gemachtigde: Bosveld Gerechtsdeurwaarders & Incasso’s B.V.,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V. (H.O.D.N. [handelsnaam] ),

gevestigd te [vestigingsplaats 2],

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. J. Ruijs.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 12 september 2025 en de daarin genoemde stukken,- de akte uitlating nader bewijs van [eiseres], met producties,- de akte reactie op uitlating nader bewijs van [gedaagde].

1.2.

Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In het tussenvonnis van 12 september 2025 heeft de kantonrechter [eiseres] opgedragen te bewijzen dat zij met [gedaagde] één of meer overeenkomsten heeft gesloten die strekte(n) tot de door haar aan [gedaagde] gefactureerde leveringen van producten.

2.2.

[eiseres] heeft daarop bij akte een grote hoeveelheid WhatsApp-correspondentie (productie 9) en bankafschriften (productie 10) overgelegd. Volgens haar kan met name aan de hand van die Whatsapp-correspondentie het bestaan van de hiervoor bedoelde overeenkomst(en) worden vastgesteld.

2.3.

In reactie op de akte van [eiseres] heeft [gedaagde] erop gewezen dat uit de door [eiseres] overgelegde WhatsApp-correspondentie volgt dat is gecommuniceerd met contacten die zijn aangeduid als “ [contactnaam 1] ” en “ [contactnaam 2] ”. [gedaagde] betwist dat deze personen [gedaagde] konden vertegenwoordigen. Volgens [gedaagde] heeft zij ook niet de schijn bij [eiseres] gewekt dat deze personen bevoegd waren haar te vertegenwoordigen. [gedaagde] meent dat de inhoud van deze WhatsApp-correspondentie daarom niet als bewijs kan dienen voor de door [eiseres] gestelde overeenkomst(en).

2.4.

De kantonrechter overweegt als volgt.

2.5.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat zij zaken met elkaar hebben gedaan in de zin dat [gedaagde] bestellingen voor de levering van producten bij [eiseres] heeft geplaatst. Dit heeft [gedaagde] immers erkend. [gedaagde] betwist dat zij de bestellingen heeft geplaatst die op de facturen staan waarvan [eiseres] in deze procedure betaling vordert.

2.6.

In het tussenvonnis van 12 september 2025 is onder 2.3 reeds vastgesteld dat tussen [eiseres] en ( [persoon]) [gedaagde] is gecorrespondeerd over de openstaande facturen en de betaling hiervan. Omdat verder niet in geschil is dat bestellingen door [gedaagde] telefonisch werden gedaan, had het op de weg van [gedaagde] gelegen om in het kader van haar betwisting aan te voeren met welk telefoonnummer dan wel met [eiseres] werd gecommuniceerd. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan.

2.7.

Bij deze stand van zaken houdt de kantonrechter het ervoor dat de WhatsApp-correspondentie die [eiseres] heeft overgelegd, ziet op bestellingen die zijn geplaatst door [gedaagde].

2.8.

[eiseres] heeft evenwel niet per factuur toegelicht uit welke specifieke (WhatsApp-)correspondentie die is voortgekomen. Hiertoe is zij op grond van de zogeheten wegwijsplicht wel gehouden (zie ECLI:NL:HR:2017:404). De kantonrechter ziet aanleiding om [eiseres] hiertoe alsnog de kans te geven – en om [gedaagde] hierop te laten reageren, zodat in deze zaak zoveel mogelijk recht kan worden gedaan aan de feitelijke situatie. [eiseres] krijgt de gelegenheid om voornoemde toelichting op de rol van 3 april 2026 bij akte te geven, waarna [gedaagde] de gelegenheid krijgt om daarop op de rol van 1 mei 2026 bij antwoordakte te reageren.

2.9.

In afwachting van de hiervoor bedoelde aktewisseling wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

verwijst de zaak naar de rol van 3 april 2026 voor akte uitlating van [eiseres] met het hiervoor in 2.8 omschreven doel,

3.2.

verwijst de zaak naar de rol van 1 mei 2026 voor antwoordakte van [gedaagde],

3.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.F. Groot, kantonrechter, bijgestaan door mr. L.J.P.C. Silven, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026.

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.