Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Amsterdam, 5 maart 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:2329Zaaknummer AMS 25/727

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
AMS 25/727
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het invorderingsbesluit, dat alleen ziet op de betalingstermijn van het teruggevorderde bedrag. Omdat eiser intussen het bedrag heeft terugbetaald, heeft eiser er geen belang meer bij om de betalingstermijn te bestrijden

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid vanmr.M.L. Pijpers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , uit [plaats] , eiser
  2. Procesverloop
  3. Beoordeling door de rechtbank
  4. Conclusie
  5. Beslissing
  6. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 25/727

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (hierna: het Uwv)

(gemachtigde: mr. A. Isik).

Procesverloop

1.1.

Op 2 mei 2023 is aan eiser een Ziektewetuitkering toegekend. Omdat eiser naast zijn Ziektewetuitkering inkomsten had, is zijn Ziektewetuitkering gekort. Met het besluit van 9 augustus 2023 is het bedrag aan Ziektewetuitkering dat daardoor te veel was uitbetaald, teruggevorderd. De terugvordering bedroeg € 3.067,49. Het bezwaar van eiser tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 7 november 2024 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser geen beroep ingesteld.

1.

1.2.

Met het besluit van 12 augustus 2024 heeft het Uwv een bedrag van € 2.484,47 ingevorderd, het nettobedrag. Met het bestreden besluit van 20 januari 2025 heeft het Uwv het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en toegelicht dat eiser nu het brutobedrag van € 3.067,49 moet terugbetalen, omdat het Uwv alleen als het bedrag in hetzelfde jaar wordt terugbetaald, de loonheffing bij de Belastingdienst kan terugvragen. Na 31 december 2025 moet eiser zelf de loonheffing terugvragen.

1.3.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.4.

Op 11 februari 2025 heeft het Uwv € 7.998,47 bruto aan eiser terugbetaald, omdat gebleken was dat eisers Ziektewetuitkering te veel was gekort. Daarna heeft eiser het ingevorderde bedrag terugbetaald.

1.5.

De rechtbank heeft het beroep op 16 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het Uwv deelgenomen. Eiser is zonder bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank stelt vast dat het terugvorderingsbesluit in rechte vast staat. Dat betekent dat vast is komen te staan dat eiser € 3.067,49 bruto aan het Uwv moet terugbetalen. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het invorderingsbesluit, dat alleen ziet op de betalingstermijn van het teruggevorderde bedrag. Omdat eiser intussen het bedrag heeft terugbetaald, heeft eiser er geen belang meer bij om de betalingstermijn te bestrijden. De rechtbank heeft eiser per brief in de gelegenheid gesteld om toe te lichten waarom hij zijn beroep nog wil handhaven, maar hier is geen reactie op gekomen. Ook telefonisch was eiser niet te bereiken en eiser is ook niet naar de zitting gekomen. De rechtbank stelt daarom vast dat er geen actueel procesbelang meer is. Dat brengt mee dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Conclusie

3. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank de zaak niet inhoudelijk beoordeelt en de beroepsgronden van eiser dus niet behandelt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid vanmr.M.L. Pijpers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.