Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Amsterdam, 29 januari 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:2261Zaaknummer 11627553 \ CV EXPL 25-5257
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 29 januari 2026
- Publicatiedatum
- 26 maart 2026
- Zaaknummer
- 11627553 \ CV EXPL 25-5257
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Eindvonnis. Huurder heeft een bedrijfsruimte gehuurd en er is een huurachterstand ontstaan. Eiser vordert dat huurder de huurachterstant betaalt, met boetes en kosten. De kantonrechter oordeelt dat het onvoldoende duidelijk is of eiser de verhuurder is. De vordering wordt daarom afgewezen.
3 De beslissing
De kantonrechter
wijst het gevorderde af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Sissing, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.E. Zwart da Silva Palma, griffier, op 29 januari 2026.
64183
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11627553 \ CV EXPL 25-5257
Vonnis van 29 januari 2026
in de zaak van
[eiser] B.V,
gevestigd te [locatie 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. R.C. Verhoeff,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1 De verdere procedure
De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 23 oktober 2025, samengevat, vastgesteld dat uit de overgelegde splitsingsakte van 31 oktober 2024 vooralsnog onvoldoende blijkt dat de door [gedaagde] van [bedrijf] gehuurde bedrijfsruimte door [bedrijf] in eigendom is overgedragen aan [eiser]. [eiser] is in de gelegenheid gesteld om zich daarover nader uit te laten en heeft dat bij akte van 20 november 2025, met bewijsstukken, gedaan.
[gedaagde] heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet gereageerd. Ten slotte is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken.
2 De verdere beoordeling
Aan de orde is de vraag of [eiser] voldoende heeft onderbouwd dat zij eigenaar en verhuurder is geworden van de sinds 1 september 2019 door [gedaagde] van [bedrijf] gehuurde bedrijfsruimte, die in de huurovereenkomst is omschreven als de bedrijfsruimte ter grootte van circa 255 m² op de derde verdieping, gelegen in het winkelcentrum [winkelcentrum], plaatselijk bekend: [adres 1], kadastraal bekend [locatie 2].
Uit de nadere toelichting van [eiser] is vast komen te staan dat de straatnaam [straatnaam 1] met ingang van 4 februari 2020 is gewijzigd in [straatnaam 2]. Geconstateerd moet echter worden dat het gewijzigde adres van de door [gedaagde] gehuurde bedrijfsruimte ( [adres 2]) zowel in de eigendomsinformatie van het kadaster als in de splitsingsakte van 31 oktober 2024 niet wordt vermeld. [eiser] stelt dat de huisnummers die daarin opgenomen zijn niet kloppen, maar die stelling is niet onderbouwd. Bovendien volgt uit de splitsingsakte dat de zakelijke inhoud daarvan met de in de splitsingsakte opgenomen gevolmachtigde van [bedrijf] is besproken en dat die gevolmachtigde daarmee akkoord is gegaan. De splitsingsakte is zowel door de gevolmachtigde als door een notaris ondertekend. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om aan de juistheid van de splitsingsakte te twijfelen.
Dat in de eigendomsinformatie van het kadaster wordt verwezen naar de Akte Ondersplitsing van 5 april 2001 (hierna: de ondersplitsingsakte) waarin is opgenomen dat het oorspronkelijke adres van de bedrijfsruimte ( [adres 1]) onderdeel uitmaakt van het appartementsrecht [woonplaats], maakt het oordeel van de kantonrechter niet anders. De ondersplitsingsakte is namelijk vóór de splitsingsakte van 31 oktober 2024 opgesteld. Het is mogelijk dat het appartementsrecht [woonplaats] in de tussentijd opnieuw onder gesplitst is, waardoor de door [gedaagde] gehuurde bedrijfsruimte onderdeel van een ander appartementsrecht is geworden. Ook volgt uit de splitsingsakte van 31 oktober 2024 dat er een aantal zaken bij [bedrijf] zijn achtergebleven, waarmee (mede) de door [gedaagde] gehuurde bedrijfsruimte aan de [adres 1] bedoeld kan zijn. Het lag op de weg van [eiser] om daarover informatie te verschaffen, maar dat heeft zij niet gedaan.
[eiser] heeft ook niet toegelicht waarom [bedrijf] op 12 februari 2025 het verzoek tot beslaglegging heeft gedaan, terwijl zij op dat moment geen eigenaar van het gehuurde meer zou zijn. Daarnaast is de enkele omstandigheid dat [eiser] de beslagkosten heeft betaald onvoldoende om vast te stellen dat zij eigenaar en verhuurder van de bedrijfsruimte is geworden.
Omdat niet kan worden vastgesteld dat [eiser] eigenaar en verhuurder van de bedrijfsruimte is geworden, is de vordering tot betaling van achterstallige huur jegens haar niet toewijsbaar.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op nihil.
3 De beslissing
De kantonrechter
wijst het gevorderde af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Sissing, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.E. Zwart da Silva Palma, griffier, op 29 januari 2026.
64183
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.