Uitspraak · Strafrecht

Rechtbank Amsterdam, 20 oktober 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:10592Zaaknummer 13/139700-26

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
13/139700-26
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Veroordeling voor wederspannigheid met letsel tot gevolg. Verdachte wordt verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd. Aan hem is een gevangenisstraf opgelegd van twee weken met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

subsidiair

wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) weken.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Ten aanzien van de vordering benadeelde partij [politieambtenaar]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [politieambtenaar] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan [politieambtenaar], van een bedrag van € 2.050,- (tweeduizend vijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (13 mei 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Dit bedrag bestaat voor € 300,- uit materiële schade en voor € 1.750,- uit immateriële schade.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [politieambtenaar].

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [politieambtenaar] aan de Staat € 2.050,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (13 mei 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, als en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Veroordeelt verdachte verder in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Het bevel voorlopige hechtenis is met ingang van 6 oktober 2026 opgeheven.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.J. Bos, voorzitter,

mr. R.A. Sipkens en mr. P.B. Spaargaren, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.G.E. Spaander, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 oktober 2026.

[(...)]

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het onderzoek ter terechtzitting
  2. 2 Tenlastelegging
  3. 4 Waardering van het bewijs
  4. 5 Bewezenverklaring
  5. 6 De strafbaarheid van de feiten
  6. 7 De strafbaarheid van verdachte
  7. 8 Motivering van de straf
  8. 9 Vordering benadeelde partij
  9. 10 Toepasselijke wettelijke voorschriften
  10. 11 Beslissing

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/139700-26

Datum uitspraak: 20 oktober 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 2001 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

wonende op het adres [adres],

gedetineerd in [detentie-instelling],

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 oktober 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.V. Streiff, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P. Scholte, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [politieambtenaar] en van wat de benadeelde partij daarover op de zitting naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 13 mei 2026 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan de mishandeling van politieambtenaar [politieambtenaar] (hierna: [politieambtenaar] ), subsidiair is hem wederspannigheid ten laste gelegd met lichamelijk letsel van [politieambtenaar] tot gevolg.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde mishandeling. Wel vindt de officier van justitie bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan wederspannigheid met lichamelijk letsel bij [politieambtenaar] tot gevolg.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om vrijspraak van de primair ten laste gelegde mishandeling. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met de raadsman en de officier van justitie van oordeel dat de primair ten laste gelegde mishandeling niet bewezen kan worden. Niet kan worden vastgesteld dat er sprake was van opzet bij verdachte op het mishandelen van [politieambtenaar]. Verdachte wordt hiervan dan ook vrijgesproken.

De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde wederspannigheid. Uit de inhoud van de aangifte en de verklaring van de getuige blijkt dat verdachte zich heeft verzet toen hij werd verplaatst door de arrestantenverzorgers en weigerde zijn slippers uit te doen. Ook kan op grond van de aangifte worden bewezen dat door het handelen van verdachte letsel is ontstaan aan de schouder van [politieambtenaar], die uit de kom raakte.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

subsidiair

op 13 mei 2026 te Amsterdam, zich met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [politieambtenaar], werkzaam als arrestantenverzorger bij Politie eenheid Amsterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten het verplaatsen van arrestanten binnen het gebouw, door zijn armen meerdere keren wild en met kracht heen en weer te bewegen, terwijl die [politieambtenaar] een arm vast had,

terwijl dit misdrijf en de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een schouder uit de kom bij die [politieambtenaar] ten gevolge heeft gehad

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

7.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het dossier duidelijk naar voren komt dat verdachte ten tijde van het feit in een acute psychose verkeerde, althans dat sprake was van een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens die zijn keuzes op dat moment volledig hebben beïnvloed. De raadsman heeft daarom verzocht verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren en hem te ontslaan van alle rechtsvervolging.

7.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van het dossier niet blijkt dat verdachte ten tijde van de feiten volledig ontoerekeningsvatbaar was.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel uit het dossier naar voren komt dat verdachte lijdt aan psychiatrische problematiek en het aannemelijk is dat deze problematiek een rol heeft gespeeld bij het plegen van het feit, is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om tot het oordeel te komen dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was. Het dossier bevat geen deskundigenrapportage waarin is gekeken naar de psychische gesteldheid of mate van toerekenbaarheid ten tijde van het plegen van het feit. Verdachte wordt dan ook strafbaar geacht. Wel zal de rechtbank het feit in verminderde mate toerekenen aan verdachte. Dit zal nader worden toegelicht in rubriek 8.3.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 140 dagen, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie verzocht de voorlopige hechtenis te schorsen met ingang van de dag dat verdachte in het kader van de af te geven zorgmachtiging wordt opgenomen in de kliniek.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en maatregel en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid door het meermaals wild en met kracht heen en weer bewegen met zijn armen op het moment dat hij werd vastgehouden door [politieambtenaar]. Hierdoor is de schouder van [politieambtenaar] uit de kom geraakt. Uit de toelichting bij de vordering tot schadevergoeding volgt dat [politieambtenaar] als gevolg van het incident lange tijd last heeft gehad van schouderklachten. Verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [politieambtenaar]. Het betreft een kwalijk feit, te meer omdat het is gepleegd tegen een ambtenaar in de uitoefening van zijn functie. [politieambtenaar] was op dat moment aan het werk als arrestantenverzorger.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 29 september 2026. Daaruit blijkt dat aan verdachte eerder, op 10 mei 2026, een strafbeschikking van € 200,- is uitgevaardigd voor wederspannigheid.

De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de volgende stukken die betrekking hebben op de persoon van verdachte:

  • een mail van [detentie-instelling] van 5 juni 2026;
  • een trajectconsult van 11 juni 2026, opgesteld door [psycholoog], GZ-psycholoog;
  • een reclasseringsadvies van Tactus Reclassering Zwolle van 21 september 2026, opgesteld door [reclasseringswerker].

Uit de stukken komt – kort samengevat en zakelijk weergegeven – naar voren dat bij verdachte aanwijzingen zijn voor een psychotische kwetsbaarheid of ontregeling, mogelijk in het kader van een psychotisch toestandsbeeld. Daarnaast lijkt sprake te zijn van middelenproblematiek. Door de huidige ontregeling werd er niet goed zicht verkregen op eventuele persoonlijkheidsproblematiek. [detentie-instelling] schrijft dat het vermoedelijk acuut manisch-psychotische toestandsbeeld zich uit in aanhoudende agitatie, ernstige desorganisatie, seksuele ontremming en hardnekkige medicatieweigering. Op 17 juli 2026 is een verzoekschrift zorgmachtiging ingediend door de officier van justitie.

Gelet op voormelde stukken en in het licht van het procesdossier, acht de rechtbank het aannemelijk dat bij verdachte sprake is van een psychiatrische stoornis die ten tijde van het bewezen geachte feit aanwezig was en in belangrijke mate de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte op dat moment hebben beïnvloed. Het bewezengeachte wordt dan ook in verminderde mate aan verdachte toegerekend.

Strafoplegging

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Verder houdt de rechtbank bij het bepalen van de duur van de straf rekening met de omstandigheid dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar wordt beschouwd.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Omdat de duur van het voorarrest de duur van de opgelegde gevangenisstraf overstijgt, heeft de rechtbank de opheffing van de voorlopige hechtenis bevolen met ingang van 6 oktober 2026.

Zorgmachtiging

De rechtbank heeft aan verdachte in de zaak met rekestnummer 26/5728, welk rekest

tegelijkertijd met de onderhavige strafzaak is behandeld, op 6 oktober 2026 een

zorgmachtiging op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Wet forensische zorg (Wfz)

verleend.

9 Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [politieambtenaar] vordert € 2.457,25 aan vergoeding van schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Dit bedrag bestaat uit een vergoeding voor materiële schade (huishoudelijke hulp) ter hoogte van € 707,25 en uit een vergoeding voor immateriële schade ter hoogte van

€ 1.750,-.

9.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering dient te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering voor wat betreft de schadepost huishoudelijke hulp af te wijzen, nu dat gaat om schade die niet de benadeelde, maar zijn partner heeft geleden. De raadsman is verder van mening dat het overige deel van de vordering gematigd dient te worden. Het gaat immers om letsel op een plek die al zwak was.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade als de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Voor wat betreft de schadepost huishoudelijke hulp zal de rechtbank het gevorderde bedrag matigen. Hoewel deze post een gedegen onderbouwing mist, acht de rechtbank het aannemelijk dat er enige schade is geleden en begroot zij de vergoeding naar billijkheid op € 300,-.

Ten aanzien van het gevorderde immateriële schadebedrag zoekt de rechtbank aansluiting bij de Rotterdamse schaal. Vaststaat dat door het bewezenverklaarde de schouder van benadeelde voor korte tijd uit de kom is geweest en benadeelde daar voor langere duur schouderklachten aan heeft overgehouden. De rechtbank is van oordeel dat deze schade valt onder categorie 13 onder b (licht letsel). Het gevorderde bedrag van € 1.750,- valt binnen de bandbreedte van voormelde categorie en komt de rechtbank niet onevenredig of ongegrond voor. Zij zal dit bedrag dan ook toewijzen.

Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

Daarnaast wordt de schadevergoedingsmaatregel opgelegd en wordt het toegewezen bedrag vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de pleegdatum.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f en 181 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

subsidiair

wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) weken.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Ten aanzien van de vordering benadeelde partij [politieambtenaar]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [politieambtenaar] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan [politieambtenaar], van een bedrag van € 2.050,- (tweeduizend vijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (13 mei 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Dit bedrag bestaat voor € 300,- uit materiële schade en voor € 1.750,- uit immateriële schade.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [politieambtenaar].

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [politieambtenaar] aan de Staat € 2.050,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (13 mei 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, als en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Veroordeelt verdachte verder in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Het bevel voorlopige hechtenis is met ingang van 6 oktober 2026 opgeheven.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.J. Bos, voorzitter,

mr. R.A. Sipkens en mr. P.B. Spaargaren, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.G.E. Spaander, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 oktober 2026.

[(...)]

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.