Uitspraak · Materieel strafrecht

Rechtbank Amsterdam, 16 oktober 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:10581Zaaknummer 13-080252-26 (A) en 13-194426-25 (B) en 15-030362-26 (C) en een TUL

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
13-080252-26 (A) en 13-194426-25 (B) en 15-030362-26 (C) en een TUL
Rechtsgebied
Strafrecht, Materieel strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige feiten. In veel gevallen ging het om ernstig geweld zonder dat daarvoor enige aanleiding bestond. In zaak A heeft hij zijn huisgenoot, met wie hij ruzie had over het opruimen van hun appartement, mishandeld door met een mes in zijn been te steken. In zaak B heeft de verdachte de aangever achterna gezeten nadat hij door aangever was aangesproken op zijn rookgedrag. Hij heeft de aangever zowel met dreigende woorden als met een waterpistool bedreigd. De aangever en een getuige waren hierbij in de veronderstelling dat de verdachte een echt vuurwapen toonde. Vervolgens heeft de verdachte de aangever mishandeld door hem te schoppen en te trappen, ook toen hij op de grond was gevallen, en hij heeft zijn telefoon vernield. Ten slotte heeft de verdachte zich in zaak C schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling van een beveiliger en een manager van een Albert Heijn in Purmerend, nadat de verdachte ermee geconfronteerd was dat hij een deel van zijn aankopen niet had afgerekend.

13 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak A primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Zaak A subsidiair en zaak B feit 1

telkens: mishandeling

Zaak B

feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

feit 3:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen

Zaak C

feit 1 primair en feit 2 primair:

telkens: poging tot zware mishandeling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart de verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie van 191 (honderdeenennegentig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 180 (honderdtachtig) dagen, van deze jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit.

Verlengt de bij vonnis van 5 juni 2025 in de zaak met parketnummer 09.317483.24 bepaalde proeftijd met 1 (één) jaar.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 419,- (zegge: vierhonderdnegentien euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 26 juni 2025, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij]. Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten door [benadeelde partij] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan de verdachte op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [benadeelde partij] ter hoogte van € 419,- (zegge vierhonderdnegentien euro). Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis in zaak A.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.E. van Montfrans, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. J.P.C. van Dam van Isselt en K.M. van Hassel, kinderrechters,

in tegenwoordigheid van mr. N. Entius, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 oktober 2026.

[…]

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Onderzoek ter terechtzitting
  2. 2 Tenlastelegging
  3. 3 Voorvragen
  4. 4 Waardering van het bewijs
  5. 5 Bewezenverklaring
  6. 6 Bewijs
  7. 7 Strafbaarheid van de feiten
  8. 8 Strafbaarheid van de verdachte
  9. 9 Motivering van de straf
  10. 10 Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
  11. 11 De benadeelde partij
  12. 12 Toepasselijke wettelijke voorschriften
  13. 13 Beslissing

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Familie & Jeugd

Parketnummers: 13.080252.26 (zaak A), 13.194426.25 (zaak B) en 15.030362.26 (zaak C)Parketnummer vordering tul: 09.317483.24

Datum uitspraak: 16 oktober 2026

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres]

1 Onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 2 oktober 2026.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.S. Gerritsen en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. Y.A. Samseij, naar voren hebben gebracht.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [medewerker de Raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna de Raad), [medewerker WSS] namens de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna de WSS), [mederwerker Kroonzorg] namens Kroonzorg en door de moeder van de verdachte naar voren is gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

Zaak A

primair: poging zware mishandeling met een mes van [slachtoffer 1] op 15 maart 2026 te Amsterdam

subsidiair: mishandeling met een mes van [slachtoffer 1] op 15 maart 2026 te Amsterdam

Zaak B

feit 1: mishandeling van [benadeelde partij] op 26 juni 2025 te Amsterdam

feit 2: bedreiging met misdrijf tegen leven gericht en/of zware mishandeling van [benadeelde partij] op 26 juni 2025 te Amsterdam door tonen (water)pistool en dreigende woorden

feit 3: vernieling van de telefoon van [benadeelde partij] op 26 juni 2025 te Amsterdam

Zaak C

feit 1 primair: poging zware mishandeling met een mes van [slachtoffer 2] op 4 december 2025 te Purmerend

feit 1 subsidiair: bedreiging met misdrijf tegen leven gericht en/of zware mishandeling, met een mes, van [slachtoffer 2] op 4 december 2025 te Purmerend

feit 2 primair: poging zware mishandeling met een mes van [slachtoffer 3] op 4 december 2025 te Purmerend

feit 2 subsidiair: bedreiging met misdrijf tegen leven gericht en/of zware mishandeling, met een mes, van [slachtoffer 3] op 4 december 2025 te Purmerend

De tekst van de integrale tenlasteleggingen is opgenomen in een bijlage bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de in zaak A primair, in zaak B onder 1, 2 en 3 en in zaak C onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

4.2.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van zaak A heeft de raadsvrouw bepleit de verdachte vrij te spreken van de primair tenlastegelegde poging zware mishandeling, omdat de verdachte geen opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Er is ook geen sprake van opzet in voorwaardelijke zin, omdat er gezien de gedragingen van verdachte geen aanmerkelijke kans bestond op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De subsidiair ten laste gelegde mishandeling kan in de optiek van de verdediging wel bewezen worden.

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van zaak B en zaak C gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot zaak B feit 2 is de raadsvrouw wel van mening dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de gedraging die is tenlastegelegd onder het tweede gedachtestreepje, omdat niet bewezen kan worden dat de verdachte de daar genoemde bewoordingen heeft gebruikt.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

Zaak A

Ten aanzien van zaak A is de rechtbank – met de raadsvrouw – van oordeel dat niet bewezen is dat sprake is van een poging tot zware mishandeling. Voor een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling is vereist dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans dat de aangever [slachtoffer 1] ten gevolge van de handelingen van de verdachte zwaar lichamelijk letsel zou oplopen en dat de verdachte de kans daarop ook heeft aanvaard. De rechtbank kan, gelet op de aard, de ernst en de plek van de wond in het been van de aangever, niet vaststellen dat het geweld van dusdanige aard en impact is geweest dat sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Dat betekent dat de verdachte van het primair ten laste gelegde wordt vrijgesproken. De onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde mishandeling acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen.

Zaak B en zaak C

De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsvrouw – van oordeel dat de feiten zoals ten laste gelegd in zaak B onder 1, 2 en 3 en in zaak C onder 1 primair en onder 2 primair, wettig en overtuigend bewezen zijn. De verdachte heeft de feiten bekend, en zijn verklaring wordt ondersteund door de overige bewijsmiddelen in de dossiers. Met de officier van justitie is de rechtbank hierbij van oordeel dat de verbale bedreiging tenlastegelegd in zaak B onder 2, tweede gedachtestreepje, wel bewezen is. Andere details in de verklaring van de aangever [benadeelde partij] vinden telkens bevestiging in het dossier en de rechtbank ziet in dat dossier ook geen aanleiding om op dit punt aan de verklaring van de aangever te twijfelen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte

Zaak A

subsidiair:

op 15 maart 2026 te Amsterdam [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] met een mes in het bovenbeen te snijden;

Zaak B

feit 1:

op 26 juni 2025 te Amsterdam, [benadeelde partij] heeft mishandeld, door

- de schouder en het lichaam van die [benadeelde partij] vast te pakken en vervolgens

- tegen de enkel van die [benadeelde partij] te trappen en te schoppen,

waardoor voornoemde [benadeelde partij] ten val is gekomen en vervolgens

- terwijl voornoemde [benadeelde partij] op de grond lag meermaals tegen het hoofd en het lichaam te slaan en te stompen en te trappen en te schoppen;

feit 2:

op 26 juni 2025 te Amsterdam, [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door:

- een waterpistool (kleur grijs met tekst ops-m.r.p cal. 45), te tonen (in de richting van die [benadeelde partij] ), en

- die [benadeelde partij] dreigend de woorden toe te voegen: "Fuck you, ik ga jou smoken" en

"KOM DAN IK MAAK JE AF";

feit 3:

op 26 juni 2025 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon, die geheel aan een ander, te weten aan [benadeelde partij], toebehoorde heeft vernield;

Zaak C

feit 1 primair:

op 4 december 2025 te Purmerend, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen met een mes stekende bewegingen heeft gemaakt richting de romp van die [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2 primair:

op 4 december 2025 te Purmerend, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen met een mes stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 3], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

6 Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat de verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

7 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straf

9.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat de verdachte ter zake van de door haar in zaak A, B, en C bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van zes maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. In overeenstemming met het advies van de deskundigen verzoekt de officier van justitie aan dit voorwaardelijke strafdeel geen bijzondere voorwaarden te verbinden, omdat de verdachte nog in een proeftijd met bijzondere voorwaarden loopt.

9.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw verzoekt het advies van de Raad te volgen en de verdachte een geheel voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. Ook de raadsvrouw meent dat aan dit voorwaardelijke strafdeel geen bijzondere voorwaarden dienen te worden verbonden omdat de verdachte nog in een proeftijd met bijzondere voorwaarden loopt.

9.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige feiten. In veel gevallen ging het om ernstig geweld zonder dat daarvoor enige aanleiding bestond. In zaak A heeft hij zijn huisgenoot, met wie hij ruzie had over het opruimen van hun appartement, mishandeld door met een mes in zijn been te steken. De verdachte mag van geluk spreken dat de aangever slechts een oppervlakkige steekwond had en niet ernstiger gewond is geraakt. In zaak B heeft de verdachte de aangever achterna gezeten nadat hij door aangever was aangesproken op zijn rookgedrag. Hij heeft de aangever zowel met dreigende woorden als met een waterpistool bedreigd. De aangever en een getuige waren hierbij in de veronderstelling dat de verdachte een echt vuurwapen toonde. Vervolgens heeft de verdachte de aangever mishandeld door hem te schoppen en te trappen, ook toen hij op de grond was gevallen, en hij heeft zijn telefoon vernield. Ten slotte heeft de verdachte zich in zaak C schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling van een beveiliger en een manager van een Albert Heijn in Purmerend, nadat de verdachte ermee geconfronteerd was dat hij een deel van zijn aankopen niet had afgerekend. Hiermee heeft de verdachte van deze personen de lichamelijke integriteit geschonden. Gelukkig hebben zij hieraan geen ernstig fysiek letsel overgehouden. Dergelijke gevallen van geweld veroorzaken gevoelens van onveiligheid in de samenleving, zeker nu het geweld ook op straat en in een Albert Heijn heeft plaatsgevonden, waardoor ook anderen ongewild getuige zijn geweest van dit geweld.

De rechtbank houdt ook rekening met de houding van de verdachte ter zitting. Hij lijkt niet altijd in staat om verantwoordelijkheid te nemen voor zijn eigen handelen.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 21 juli 2026 waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld, namelijk voor diefstal met geweld en voorbereidingshandelingen ter zake van een explosie/brandstichting.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de evaluatie van de WSS Jeugdreclassering van 10 september 2026. Uit dit rapport blijkt dat de verdachte moeite heeft om verantwoordelijkheid te nemen voor zijn acties en gedrag. Hij geeft anderen regelmatig de schuld en verantwoordt zijn eigen gedrag op basis van de acties van anderen. Hier kan de verdachte nog stappen in maken. Deze gevoelens maakt hij echter de laatste tijd bespreekbaar, waardoor de hulpverlening hem kan helpen met het relativeren van deze gedachtes. Ook maakt de WSS zich zorgen over agressie bij de verdachte. De verdachte heeft in het verleden verschillende keren laten zien dat hij zijn emoties niet onder controle heeft; vooral ‘aanraking’ is voor hem een trigger voor agressie. Dit heeft ook een rol gespeeld in de onderhavige feiten. Om deze reden is het belangrijk dat de verdachte twee keer per week naar De Waag gaat om te werken aan zijn emotieregulatie. Helaas komt verdachte niet altijd aan bij De Waag. Wel is recent sprake geweest van een positieve ontwikkeling; de laatste tijd laat de verdachte zien geleerd te hebben eerst na te denken over zijn acties in plaats van direct te handelen. Ten slotte maakt de WSS zich zorgen over werk en financiën. De verdachte heeft onlangs wel een baantje gevonden en het is belangrijk dat het werk van de verdachte de komende tijd gemonitord wordt en dat hij zijn huidige werkzaamheden weet vast te houden.

Ter zitting heeft de WSS naar voren gebracht dat de verdachte recent op meer vlakken een stijgende lijn laat zien. Er is sprake van beter contact en hij komt afspraken beter na. Wel blijft de samenwerking met De Waag aandacht vragen, waar hij niet altijd aanwezig is, niet op tijd komt en of voortijdig vertrekt. Daarover zijn inmiddels strikte afspraken met de verdachte gemaakt. De verdachte is bereid om te veranderen, maar hij kan dat niet alleen en daarvoor is goede begeleiding nodig. Die begeleiding lijkt nu beter op gang te komen. Er is een goede klik met De Waag. De ondersteuning vanuit Kroonzorg, waar de verdachte sinds maart 2026 verblijft, verloopt zeer positief. Ten slotte benadrukt de WSS dat de verdachte werk heeft en dat het belangrijk is dat hij dat behoudt. De WSS ziet dit als een allerlaatste waarschuwing voor de verdachte.

De Raad heeft vanwege capaciteitsgebrek voorafgaand aan de zitting geen schriftelijk advies uitgebracht. De Raad heeft ter zitting zijn advies gegeven. Hij heeft toegelicht dat sprake is van ernstige verdenkingen en dat het niet altijd goed is gegaan met de voorwaarden. Tegelijkertijd ziet de Raad ook dat er een stijgende lijn is en dat niet alles de verdachte kan worden aangerekend. Zo zat de verdachte bijvoorbeeld voorheen niet op een passende plek met de juiste begeleiding. Daarom adviseert de Raad de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen en geen onvoorwaardelijke jeugddetentie langer dan het voorarrest op te leggen. De Raad ziet geen aanleiding om de proeftijd van de vordering tenuitvoerlegging te verlengen, omdat de huidige voorwaarden lopen tot en met juni 2027. Ook een bijkomende werkstraf acht de Raad niet passend, omdat dit in combinatie met de behandeling en het werk van de verdachte te belastend zou worden.

De moeder heeft ter zitting aangegeven dat [verdachte] hulp nodig heeft en dat De Waag hem daarin goed helpt. Zij ziet dat emoties bij hem sterk meespelen en dat begeleiding daarom nodig blijft. [verdachte] heeft als kind veel meegemaakt, wat nog steeds doorwerkt in problemen met zijn emotieregulatie. Tegelijkertijd ziet ook de moeder een stijgende lijn. Hij denkt beter na en hij wordt rustiger.

Ter zitting heeft een medewerker van Kroonzorg onder meer naar voren gebracht dat het contact met verdachte aanvankelijk lastig was; als hij de deur uit ging nam hij zijn telefoon vaak niet op. Inmiddels zijn daarin stappen gezet en verloopt de begeleiding soepeler. Volgens Kroonzorg is er duidelijk sprake van groei en zien zij inmiddels een andere [verdachte]. Er zijn twee incidenten geweest, maar die heeft de verdachte zelf goed opgelost doordat hij contact opnam met begeleiding en de politie.

De straf

De verdachte heeft in de afgelopen tijd stappen gezet in de goede richting. De rechtbank wil dat de verdachte die – nu nog prille - positieve ontwikkeling vasthoudt. Alhoewel onderhavige feiten in beginsel kunnen worden bestraft met een onvoorwaardelijke jeugddetentie, acht de rechtbank het niet in het belang van de verdachte en de samenleving dat de verdachte nu terugkeert naar de jeugdgevangenis. Daarom zal zij bij het bepalen van de hoogte van de onvoorwaardelijke jeugddetentie geen andere duur opleggen dan de duur van het door de verdachte reeds ondergane voorarrest. Wel acht de rechtbank een stevig voorwaardelijk strafkader van belang als stok achter de deur.

Gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd, zoals hiervoor beschreven, oordeelt de rechtbank dat een jeugddetentie van 191 dagen passend en geboden is. De tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht dient bij de tenuitvoerlegging van de straf in mindering te worden gebracht. De rechtbank zal 180 dagen niet ten uitvoer leggen, tenzij later anders wordt gelast. De rechtbank acht het van belang dat de verdachte zich zal houden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit gedurende een proeftijd van twee jaar. De rechtbank zal aan dit voorwaardelijke strafdeel verder geen bijzondere voorwaarden verbinden, omdat de verdachte ingevolge het vonnis van 5 juni 2025 in de zaak met parketnummer 09.317483.24 nog in een proeftijd loopt waardoor bijzondere voorwaarden nog van toepassing zijn. In overeenstemming met het advies van de Raad zal de rechtbank geen aanvullende werkstraf opleggen. De verdachte moet in het kader van een eerdere strafzaak nog een werkstraf verrichten en de verdachte moet niet worden overvraagd. Een bijkomende werkstraf acht de rechtbank niet in het belang van de verdachte, en daarmee ook niet in het belang van de maatschappij.

10 Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 16 januari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 09.317483.24 betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 5 juni 2025 van de meervoudige strafkamer te Amsterdam. Bij dat vonnis is de verdachte onder meer veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 30 dagen met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft ter zitting de vordering gewijzigd in die zin dat de proeftijd moet worden verlengd met één jaar.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. Daarnaast heeft de verdachte zich niet aan de gestelde bijzondere voorwaarden gehouden. De rechtbank ziet echter aanleiding om in plaats van de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te bevelen de proeftijd te verlengen met een jaar. De verdachte laat sinds kort een prille positieve ontwikkeling zien. De rechtbank acht het – met de deskundigen, de officier van justitie en de raadsvrouw – niet wenselijk dat de verdachte nu naar een jeugdgevangenis gaat, waardoor het ingezette hulpverleningstraject en de positieve ontwikkeling van de afgelopen tijd (alsnog) wordt doorkruist. Het is aan de verdachte om te laten zien dat hij deze positieve ontwikkeling voortzet.

11 De benadeelde partij

De benadeelde partij in zaak B, [benadeelde partij], vordert € 439,- aan materiële schadevergoeding.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering benadeelde partij ten aanzien van de kosten voor de broek en de jas niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze schadeposten niet zijn onderbouwd. De officier van justitie heeft verzocht de vordering ten aanzien van de kosten voor de telefoon toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, omdat deze niet is onderbouwd.

Oordeel van de rechtbank

Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het in zaak B bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. In het dossier zitten foto’s waarop de schade aan de broek en de telefoon zichtbaar is. Bovendien komt de gevorderde schadevergoeding ten aanzien van de telefoon en de broek de rechtbank niet onredelijk voor. De kosten voor de telefoon en de broek zullen daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De gevorderde schadevergoeding ten aanzien van de jas is onvoldoende onderbouwd en er zitten wat betreft de jas geen foto’s in het dossier waarop schade aan de jas zichtbaar is. De behandeling van dit deel van de vordering levert om deze reden een onevenredige belasting op van het strafgeding en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij zal daarom voor dit gedeelte niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan dit gedeelte van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [benadeelde partij] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte opgelegd.

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77gg, 285, 300, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

13 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak A primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Zaak A subsidiair en zaak B feit 1

telkens: mishandeling

Zaak B

feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

feit 3:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen

Zaak C

feit 1 primair en feit 2 primair:

telkens: poging tot zware mishandeling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart de verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie van 191 (honderdeenennegentig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 180 (honderdtachtig) dagen, van deze jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit.

Verlengt de bij vonnis van 5 juni 2025 in de zaak met parketnummer 09.317483.24 bepaalde proeftijd met 1 (één) jaar.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 419,- (zegge: vierhonderdnegentien euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 26 juni 2025, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij]. Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten door [benadeelde partij] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan de verdachte op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [benadeelde partij] ter hoogte van € 419,- (zegge vierhonderdnegentien euro). Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis in zaak A.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.E. van Montfrans, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. J.P.C. van Dam van Isselt en K.M. van Hassel, kinderrechters,

in tegenwoordigheid van mr. N. Entius, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 oktober 2026.

[…]

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.