Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Amsterdam, 1 mei 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:10449Zaaknummer 11985060 \ CV EXPL 25-16503

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
11985060 \ CV EXPL 25-16503
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Bodemzaak, Eerste aanleg - enkelvoudig, Proceskostenveroordeling, Op tegenspraak
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Uitleg (Haviltex), geen overeenkomst met gedaagde aangegaan. Afwijzing vordering.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] van € 100,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Higler-Huisman en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 11985060 \ CV EXPL 25-16503

Vonnis van 1 mei 2026

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats 1],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: [gemachtigde],

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

procederend in persoon.

De zaak in het kort

[eiser] stelt dat hij met [gedaagde] een overeenkomst is aangegaan om zijn tuin te laten aanleggen. Die werkzaamheden zijn niet naar tevredenheid uitgevoerd, waarna hij de tuin door een derde heeft laten herstellen en afmaken. De kosten daarvoor wil hij verhalen op [gedaagde]. De kantonrechter kan niet vaststellen dat [gedaagde] degene is met wie [eiser] de overeenkomst om zijn tuin aan te leggen heeft gesloten. Daarom worden de vorderingen afgewezen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 27 oktober 2025, met producties,

- het proces-verbaal van het mondelinge antwoord van [eiser] van 6 februari 2026,

- het tussenvonnis van 20 februari 2026,

- de mondelinge behandeling van 2 april 2026, waarvan een verkort proces-verbaal is opgemaakt en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] wilde begin 2024 zijn tuin laten aanleggen. Via-via werd [naam] (verder: [naam] ), vader van [gedaagde], aanbevolen en kreeg [eiser] zijn telefoonnummer. [eiser] heeft vervolgens telefonisch contact met [naam] opgenomen.

2.2.

Het eerste contact via Whatsapp, op 21 maart 2024, is met [naam]. Van maart tot en met augustus 2024 hebben [naam] en [eiser] meermaals contact. Via WhatsApp wordt gesproken over de werkzaamheden, het moment van uitvoering daarvan, en ook wie de werkzaamheden komt doen.

2.3.

Vanaf 25 april 2024 is er via Whatsapp ook contact met [gedaagde]. Partijen hebben onder meer gesproken over werkzaamheden ten behoeve van de schutting en betaling van een deel van de gewerkte uren.

2.4.

[eiser] heeft drie betalingen gedaan. Eén betaling, van € 1.610,00, heeft hij aan (de vrouw van) [gedaagde] gedaan. De andere twee betalingen zijn aan [naam] gedaan.

2.5.

[eiser] was ontevreden over de verrichte werkzaamheden. Op 25 oktober 2024 heeft hij een brief aan [gedaagde] gestuurd met het verzoek om zijn schade te vergoeden. De gemachtigde van [eiser] heeft op 17 januari 2025 opnieuw een brief gestuurd, waarbij is verzocht om binnen één week aan te geven hoe en binnen welke termijn de gebreken zullen worden hersteld, bij gebreke waarvan de vordering tot nakoming zal worden omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding.

2.6.

[gedaagde] heeft zowel per e-mail als via Whatsapp gereageerd dat [eiser] zich tot [naam] moet wenden, omdat hij niet degene is met wie de overeenkomst is aangegaan.

2.7.

[eiser] heeft daarna de werkzaamheden aan zijn tuin (opnieuw) laten uitvoeren door een derde. De factuur daarvan bedraagt € 5.871,69. De extra tegels kostten € 837,24.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 6.769,43, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij met [gedaagde] een overeenkomst is aangegaan om zijn tuin aan te leggen en dat [gedaagde] die overeenkomst niet goed is nagekomen. De werkzaamheden zijn met [gedaagde] besproken, en [naam] was de uitvoerder voor [gedaagde]. [naam] heeft altijd aangegeven dat [gedaagde] zijn werkgever en baas is en moest steeds met [gedaagde] overleggen. Met [gedaagde] is de prijsafspraak gemaakt en [eiser] heeft een betaling aan [gedaagde] gedaan. [naam] verwees [eiser] ook door naar [gedaagde] toen er problemen waren ontstaan. Duidelijk is daarom dat [gedaagde] de contractspartij van [eiser] is.

3.3.

[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] omdat [eiser] de verkeerde persoon heeft gedagvaard. Daartoe voert hij aan dat [eiser] een overeenkomst is aangegaan met zijn vader, [naam], die hovenier is. [eiser] heeft [naam] benaderd voor de aanleg van zijn tuin en [gedaagde] is door [naam] gevraagd om te helpen bij het plaatsen van de betonnen schuttingpalen. De afspraken, waaronder die over het (uur)tarief, zijn gemaakt met [naam]. [gedaagde] heeft [naam] geholpen met het brengen van spullen omdat [naam] geen rijbewijs heeft, maar is verder niet bij de tuinaanleg betrokken geweest.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] vordert een vervangende schadevergoeding (art. 6:87 van het Burgerlijk Wetboek) omdat de werkzaamheden in zijn tuin niet goed zijn uitgevoerd en hij een derde heeft moeten inschakelen om zijn tuin (opnieuw) aan te leggen. Een vervangende schadevergoeding kan alleen worden gevorderd van degene met wie de overeenkomst, waarvan [eiser] stelt dat deze niet goed is uitgevoerd, is aangegaan. Daarom moet eerst worden beoordeeld of [eiser] met [gedaagde] een overeenkomst is aangegaan om werkzaamheden aan zijn tuin te verrichten. Geoordeeld wordt als volgt.

Geen overeenkomst met [gedaagde]

4.2.

Vaststaat dat er geen schriftelijke overeenkomst is op basis waarvan kan worden geconstateerd of [eiser] met [gedaagde] een overeenkomst is aangegaan. Een overeenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding. Dat kan ook mondeling gebeuren. Het antwoord op de vraag of [eiser] met [gedaagde] een overeenkomst is aangegaan moet daarom worden beantwoord aan de hand van de Haviltex-norm en is dus afhankelijk van wat [eiser] en [gedaagde] jegens elkaar hebben verklaard, en van wat zij over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Daarbij ligt de bewijslast dat op grond van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvording bij [eiser].

4.3.

De kantonrechter is van oordeel dat [eiser], gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde], onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd voor zijn stelling dat hij de overeenkomst met [gedaagde] is aangegaan. Dat wordt als volgt toegelicht.

4.4.

[eiser] had rondgevraagd en daarbij werd [naam] aangeraden. [eiser] heeft via-via het telefoonnummer van [naam] gekregen en contact met hem opgenomen. Het eerste telefonische contact en de eerste correspondentie over de tuinwerkzaamheden waren dus met [naam]. Dat wijst niet op een overeenkomst met [gedaagde]. Het enkele feit dat [gedaagde] daarna ook contact heeft gehad met [eiser] en [naam] overleg heeft gehad met [gedaagde] maakt dat niet anders, te meer nu niet is betwist dat [gedaagde] werkzaamheden aan de betonnen schuttingpalen heeft verricht en spullen langsbracht die [naam] nodig had voor de werkzaamheden.

4.5.

Dat [eiser] prijsafspraken heeft gemaakt met [gedaagde] blijkt niet uit de stukken, integendeel. [gedaagde] heeft in mei 2024 aan [eiser] gevraagd ‘wat had me vader met je afgesproken kwa uur geld?’ Waarop [eiser] heeft geantwoord ‘€ 30,00 per uur’. Dat wijst erop dat [eiser] de prijsafspraak juist met [naam] heeft gemaakt. Het doen van een betaling aan [gedaagde] maakt hem nog geen contractspartij, nog daargelaten dat van de drie betalingen er slechts één aan [gedaagde] is gedaan.

4.6.

Voor zover [naam] meermaals tegen [eiser] zou hebben gezegd dat [gedaagde] ‘zijn baas’ is en hij [eiser] eind augustus 2024 naar [gedaagde] verwijst, geldt dat die mededelingen zijn gedaan door [naam] en niet door [gedaagde] zelf, zodat daaruit niet kan worden afgeleid dat [eiser] de overeenkomst met [gedaagde] is aangegaan.

Conclusie

4.7.

Uit bovengenoemde handelingen over en weer heeft [eiser] niet mogen afleiden dat hij met [gedaagde] een overeenkomst heeft gesloten om de tuinwerkzaamheden voor hem uit te voeren. Dat heeft tot gevolg dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen.

4.8.

Het ter zitting door [eiser] gedane bewijsaanbod dat er bij hem aan de keukentafel met [naam] en [gedaagde] is gesproken over de uit te voeren werkzaamheden, de richtprijs en een mogelijke leverancier wordt gepasseerd. Met zijn bewijsaanbod heeft [eiser] geen feiten aangeboden te bewijzen die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden. Van belang is immers, zoals blijkt uit het onder 4.2 aangehaalde toetsingskader, of [eiser] uit gedragingen of mededelingen van [gedaagde] in het gesprek aan de keukentafel mocht afleiden dat hij met [gedaagde] een overeenkomst sloot. Daarover heeft [eiser] niets gesteld.

Proceskosten

4.9.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 100,00 aan reis- en verletkosten, gebaseerd op zijn aanwezigheid bij de rolzitting en de mondelinge behandeling.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] van € 100,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Higler-Huisman en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.