Uitspraak · Materieel strafrecht

Rechtbank Amsterdam, 16 oktober 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:10322Zaaknummer 13/21 0327-25

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16 oktober 2026
Publicatiedatum
21 oktober 2026
Zaaknummer
13/21 0327-25
Rechtsgebied
Strafrecht, Materieel strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vrijspraak opzet- dan wel schuldverkrachting. Benadeelde partij niet-ontvankelijk in vordering.

5 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B.C. Langendoen, voorzitter,

mrs. C.C.J. Maas – van Es en V.M. Hounjet, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.T. Lo Dico, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 oktober 2026.

[...]

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Onderzoek ter terechtzitting
  2. 2 Tenlastelegging
  3. 3 Vrijspraak
  4. 4 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
  5. 5 Beslissing

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/210327-25

Datum uitspraak: 16 oktober 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te 's-Gravenhage op [geboortedag] 1996,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres],

hierna: verdachte.

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 oktober 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.J. Smilde, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. D.C.O. Ayinla, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 7 maart 2025 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan (impliciet primair) opzetverkrachting dan wel (impliciet subsidiair) schuldverkrachting van [benadeelde partij].

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Vrijspraak

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde en vordert de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit gelet op het onbetrouwbare karakter van de verklaring van aangeefster, het gebrek aan steunbewijs en het alternatieve scenario dat verdachte heeft geschetst. Er is wel seksueel contact geweest, maar dat was op basis van wederzijds goedvinden.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Juridisch kader

In zedenzaken is er veelal sprake van tegenstrijdige verklaringen van de aangever en verdachte. Indien de verdachte ontkent het feit te hebben gepleegd dat aan hem ten laste is gelegd, is de verklaring van de aangever vaak het enige directe wettige bewijsmiddel. Op grond van artikel 342 lid 2 Wetboek van Strafvordering kan een bewezenverklaring niet uitsluitend op basis van de verklaring van één persoon worden aangenomen. De vraag of aan dat bewijsminimum is voldaan, kan – volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad – niet in algemene zin worden beantwoord, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. In zedenzaken is niet vereist dat de ontuchtige handelingen zelf steun vinden in ander bewijsmateriaal, maar is het afdoende wanneer de gebezigde verklaring op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Deze bewijsmiddelen moeten voldoende steun geven aan de verklaringen van aangever, in die zin dat het steunbewijs op een relevante manier in verband moet staan met de inhoud van die verklaringen.

3.3.2.

Feiten en omstandigheden

De verklaringen van verdachte en aangeefster lopen voor wat betreft het cruciale moment uiteen, maar zij komen echter ook op punten overeen. De rechtbank stelt op basis van hun beider verklaringen in ieder geval het volgende vast.

Nadat [benadeelde partij] (hierna: aangeefster) en haar goede vriendin, [naam vriendin] (hierna: [naam vriendin]) – die op dat moment tevens de partner van verdachte was – op 7 maart 2025 de middag op een terras hadden doorgebracht, zijn zij naar de woning van [naam vriendin] en verdachte gegaan om daar samen te eten en te drinken. Verdachte kwam na zijn werk ook naar de woning en met zijn drieën hebben zij de verdere avond doorgebracht. Omdat aangeefster de nodige alcohol had gedronken, besloot zij bij [naam vriendin] en verdachte te blijven slapen. Verdachte heeft een matras naar de logeer/studeerkamer getild, zodat aangeefster daar kon overnachten, wat zij wel vaker deed. Op een gegeven moment is [naam vriendin] naar bed gegaan en hebben verdachte en aangeefster de avond met elkaar voortgezet in de woonkamer. Verdachte en aangeefster verklaren beiden dat zij samen op de bank zaten, tegen elkaar aan hebben gezeten, hebben gepraat en tv hebben gekeken. Na een tijdje is aangeefster gaan douchen. Vast staat dat verdachte en aangeefster die avond seks hebben gehad, maar hun verklaringen over de aanloop hiernaartoe en de wijze waarop dit heeft plaatsgevonden, lopen uiteen. Tot slot verklaren verdachte, aangeefster en [naam vriendin] alle drie dat aangeefster hevig geëmotioneerd de woning heeft verlaten kort nadat de seks had plaatsgevonden. Het staat vast dat aangeefster bij het verlaten van de woning haar linker gehoorapparaat heeft achtergelaten en dat zij haar rechter gehoorapparaat bij zich had.

3.3.3.

Afwijkende verklaringen aangeefster en verdachte

Verdachte en aangeefster verklaren, zoals gezegd, verschillend over wat zich verder op de avond van 7 maart 2025 tussen hen beiden heeft afgespeeld.

Aangeefster heeft verklaard dat zij, nadat zij enige tijd met verdachte op de bank had doorgebracht, is gaan douchen en daarna in de logeerkamer naar bed is gegaan. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte vervolgens bij haar in bed zou zijn komen liggen, waarna hij seks met haar zou hebben gehad. Hij zou haar hierbij hebben gezoend, gevingerd, gebeft en vaginaal hebben gepenetreerd. Aangeefster heeft verklaard dat ze op dat moment dissocieerde en daarna heeft gedaan alsof zij sliep omdat zij dit niet wilde. Hierop stopte verdachte. Nadat verdachte de kamer had verlaten heeft zij in paniek haar vriend gebeld en het huis verlaten.

Verdachte heeft verklaard dat gedurende de avond al een seksuele spanning tussen hem en aangeefster aan het opbouwen was. Dit zou al op de bank zijn begonnen. Verdachte heeft ook verklaard dat aangeefster is gaan douchen maar anders dan aangeefster, heeft hij gesteld dat zij na het douchen naakt bovenop zijn schoot op de bank is gaan zitten. Hier zouden zij hebben gezoend en elkaar over hun beider geslachtsdelen hebben aangeraakt. Verdachte heeft verklaard dat zij hierna naar de logeerkamer zijn gegaan waar aangeefster zou overnachten en dat zij daar seks hebben gehad. Aangeefster was daarbij actief aanwezig en is opnieuw op hem gaan zitten. Hij heeft verder gesteld dat zowel hij als aangeefster schrokken op het moment dat hij aangeefster met zijn penis vaginaal penetreerde. Dit zou zijn omdat zij op dat moment allebei beseften dat zij dit niet zouden moeten en willen doen, gelet op het gegeven dat zij beiden in een relatie met iemand anders zaten en aangeefster goed bevriend was met [naam vriendin]. Vervolgens zou verdachte de kamer hebben verlaten waarna aangeefster, hevig geëmotioneerd, de woning zou hebben verlaten.

3.3.4.

Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van aangeefster en verdachte op dit punt geheel tegenover elkaar staan. Verder stelt de rechtbank vast dat aangeefster op onderdelen wisselend heeft verklaard in haar verschillende verklaringen bij de politie en de rechter-commissaris en dat niet altijd even duidelijk is wat ze zich wel en niet kan herinneren. Dit zou volgens aangeefster het gevolg zijn van haar forse alcoholinname die avond, maar ook omdat zij zich op een gegeven moment is gaan dissociëren. Zo verklaart zij in het aanvullend verhoor dat zij nog wel weet van de momenten op de bank en in de slaapkamer, maar dat zij verder eigenlijk geen herinneringen heeft van de avond zelf. Ze verklaart daar verder bij dat alles wat zij weet van de avond, haar is verteld. Ook in haar aangifte geeft ze aan dat ze heel veel dingen niet meer precies weet en dat, na het moment dat [naam vriendin] naar bed ging, het voor haar flarden zijn. En ook bij de rechter-commissaris heeft aangeefster het over vlagen van herinnering, met veel gaten en geeft ze aan dat ze niet helemaal vertrouwt op haar eigen herinneringen. Ze weet niet of er op de bank in de woonkamer sprake is geweest van seksuele spanning tussen hen beiden.

Verdachte heeft bij de politie en op zitting consistent verklaard. De rechtbank merkt hierbij op dat aangeefster vaker dan verdachte een verklaring heeft moeten afleggen, waardoor enige wisseling hierin ook meer voor de hand kan liggen. Daarbij maakt deze constatering op zichzelf niet dat de rechtbank de verklaring(en) van aangeefster onbetrouwbaar acht. Wel dient zij om deze reden terughoudend om te gaan met deze verklaringen.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van steunbewijs voor de verklaringen van aangeefster, bestaande uit de emoties die door derden bij aangeefster zijn waargenomen. Alle aanwezigen, inclusief verdachte, hebben immers verklaard dat aangeefster hevig geëmotioneerd was toen zij de woning verliet. Dit wordt ook bevestigd door de verklaringen van de vriend en de moeder van aangeefster en dit blijkt ook uit het proces-verbaal waarin de 112-melding van aangeefster is weergegeven. Ook het gegeven dat zij het gehoorapparaat van het oor waarmee zij het meeste hoort in de woning heeft achtergelaten, toont aan dat aangeefster gehaast de woning heeft verlaten.

Overtuiging

Vervolgens is de vraag aan de orde of de rechtbank op grond hiervan buiten redelijke twijfel kan oordelen dat verdachte het ten laste gelegd heeft gepleegd. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is. Het alternatieve scenario van verdachte wordt, behalve door aangeefster, niet weerlegd door wat zich in het dossier bevindt en zijn verklaring acht de rechtbank niet zodanig ongeloofwaardig of onaannemelijk dat dit zonder meer terzijde kan worden geschoven. Ook met inachtneming van het hiervoor genoemde steunbewijs voor de verklaring van aangeefster, kan de rechtbank niet buiten redelijke twijfel oordelen dat de seksuele gedragingen zonder instemming van aangeefster hebben plaatsgehad. Dat aangeefster in geëmotioneerde staat de woning heeft verlaten kan, mede in het licht van de onderlinge relationele verhoudingen, ook een andere oorzaak hebben. En de waarde die de officier van justitie in zijn bewijsconstructie toedicht aan het feit dat een van de gehoorapparaten van aangeefster in de woning is achtergebleven, wordt niet gevolgd. Daaruit kan weliswaar worden afgeleid dat aangeefster in de haast een van de gehoorapparaten is verloren of vergeten, maar verdergaande conclusies ten aanzien van het ten laste gelegde feit kunnen daaruit niet worden getrokken.

De rechtbank ziet zichzelf dan ook geconfronteerd met een buitengewoon lastig te beoordelen zaak, waarbij de een noch de andere verklaring valt uit te sluiten en er geen bewijs is dat de ene verklaring in de overtuiging zwaarder doet wegen dan de andere. In strafzaken betekent dit, hoe onbevredigend ook voor aangeefster, dat nu sprake is van twijfel, deze twijfel in het voordeel van de verdachte dient te worden uitgelegd (in dubio pro reo). De rechtbank wil benadrukken dat dit niet betekent dat zij aangeefster niet gelooft of niet betrouwbaar vindt. Maar zoals hiervoor uitgelegd, kan iemand alleen veroordeeld worden als dit buiten redelijke twijfel en met overtuiging kan worden vastgesteld. Dat is hier niet het geval. Dat leidt ertoe dat verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit.

4 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 547,04 (vijfhonderdzevenenveertig euro en vier cent) aan vergoeding van materiële schade en € 18.750,- (achttienduizend driehonderdvijfenzeventig euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de rechtbank tot een vrijspraak van het ten laste gelegde komt.

De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

5 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B.C. Langendoen, voorzitter,

mrs. C.C.J. Maas – van Es en V.M. Hounjet, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.T. Lo Dico, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 oktober 2026.

[...]

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.