Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Amsterdam, 15 januari 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:10304Zaaknummer K/4001/11939419 CV EXPL 25-14851

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
23 oktober 2026
Zaaknummer
K/4001/11939419 CV EXPL 25-14851
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak, Proces-verbaal
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Mondeling vonnis. Eiser vordert betaling van facturen en nevenvorderingen. De vorderingen worden afgewezen. Niet rechtsgeldig een overeenkomst tot stand gekomen. Geen bevoegde vertegenwoordiging en ook geen schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid.

2 De beslissing

De kantonrechter

1.11.

wijst de vorderingen af,

1.12.

veroordeelt Utazi Law in de proceskosten van € 1.221,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Utazi Law niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend

Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. C.H. Rombouts en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De termijn voor het instellen van hoger beroep is drie maanden, te rekenen van de dag van de mondelinge uitspraak (artikel 339 Rechtsvordering).

Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt.

Volledige tekst

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 11939419 \ CV EXPL 25-14851

Proces-verbaal van de mondelinge behandeling en mondelinge uitspraak van 15 januari 2026

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

UTAZI LAW B.V.,

te Voorschoten,

eisende partij,

hierna te noemen: Utazi Law,

gemachtigde: mr. G. Hagens,

tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

KUNSTENBOND,

te Amsterdam,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de Kunstenbond,

gemachtigde: [gemachtigde].

De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Amsterdam.

De zaak wordt behandeld door mr. C.H. Rombouts, kantonrechter, bijgestaan door mr. K.E. Beerlage, griffier.

Aanwezig zijn:

- [naam 1] ( [naam 1] ), [functie] van Utazi Law,

- mr. Hagens, hiervoor genoemd,

- [naam 2], gevolmachtigde van de Kunstenbond,

- mr. [gemachtigde], hiervoor genoemd.

De volgende stukken zijn op de zitting aan het procesdossier toegevoegd:

- productie 31 van de zijde van Utazi Law.

Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen hebben gezegd. Die zittingsaantekeningen bevinden zich in het dossier. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

1 De beoordeling

1.1.

In deze zaak vordert Utazi Law betaling van haar facturen en nevenvorderingen. Deze vorderingen zullen worden afgewezen.

1.2.

Voor toewijzing is een grondslag voor betaling nodig. De kantonrechter heeft dat beoordeeld.

1.3.

De kantonrechter heeft eerst beoordeeld of rechtsgeldig een overeenkomst tot stand is gekomen. Dat is niet het geval.

1.4.

Niet in geschil is dat niet rechtsgeldig de opdracht is verstrekt, omdat de bestuursleden van de Kunstenbond die Utazi Law hebben ingeschakeld, op grond van de statuten onbetwist niet bevoegd waren om namens de Kunstenbond rechtshandelingen aan te gaan.

1.5.

Er is ook geen schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. Ten eerste heeft [naam 1] kennis kunnen nemen van het huishoudelijk reglement, waarin een regeling stond voor wat er mogelijk is in dit soort gevallen met kosten van derden. Deze regeling is niet gevolgd. Verder heeft [naam 1] in productie 31 onder 3 opgeschreven dat [naam 3] namens hemzelf en namens [naam 4] de betaling van de werkzaamheden van Utazi Law intern bij de Kunstenbond zou proberen te regelen, zodat het niet als een privéaangelegenheid bij [naam 3] en [naam 4] zou blijven liggen. Dus op dat moment was er in ieder geval nog geen schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid, want het moest nog geregeld worden. En op 30 mei 2025 is heel duidelijk gezegd vanuit het bestuur dat geen opdracht werd gegeven aan Utazi Law, dus vanaf dat moment was er in ieder geval geen onduidelijkheid meer over de vertegenwoordigingsbevoegdheid en kon er dus niet meer gedeclareerd worden. Maar ook daarvoor was er dus geen schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid.

1.6.

De artikelen 6:2, 2:9 en 3:13 Burgerlijk Wetboek (BW), die in de dagvaarding zijn aangehaald, brengen daar geen verandering in. Dit zijn in ieder geval geen zelfstandige grondslagen op grond waarvan iets betaald moet worden. Er is ook niet een redenering voorstelbaar waarmee die artikelen in aanvulling op de feiten tot een opdracht zouden leiden, want dat standpunt zou erop neerkomen dat de redelijkheid en billijkheid in dit soort gevallen een overeenkomst in het leven zouden kunnen roepen en dat is niet rechtens.

1.7.

Er is dus geen overeenkomst die een grondslag biedt voor betaling.

1.8.

Ook ongerechtvaardigde verrijking vormt geen grondslag voor betaling. Voor verrijking is meer nodig dan hier aan de hand is geweest. De Kunstenbond zou hebben moeten profiteren. Een gezonde discussie is wel in het belang van een organisatie, maar het moeten reageren op memo’s is geen verrijking van de Kunstenbond.

De bestuursleden hebben intern niet de juiste procedure gevolgd en dat is niet een verrijking van de Kunstenbond geweest. [naam 3] en [naam 4] hebben de opdracht aan Utazi Law verstrekt en zij zullen Utazi Law moeten betalen.

1.9.

Dat leidt tot afwijzing van de vorderingen en een kostenveroordeling.

1.10.

De proceskosten van de Kunstenbond worden begroot op:

- salaris gemachtigde€1.086,00(2 punten × € 543,00)
- nakosten€135,00(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€1.221,00

2 De beslissing

De kantonrechter

1.11.

wijst de vorderingen af,

1.12.

veroordeelt Utazi Law in de proceskosten van € 1.221,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Utazi Law niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend

Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. C.H. Rombouts en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De termijn voor het instellen van hoger beroep is drie maanden, te rekenen van de dag van de mondelinge uitspraak (artikel 339 Rechtsvordering).

Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.