Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Amsterdam, 14 oktober 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:10303Zaaknummer C/13/795044 / KG ZA 26-888

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Publicatiedatum
23 oktober 2026
Zaaknummer
C/13/795044 / KG ZA 26-888
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding, Op tegenspraak
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

KG vordering van eiser tegen ING om BKR-registratie te verwijderen toegewezen omdat de gevolgen van de BKR-registratie buitenproportioneel zijn.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt ING om alle door haarzelf in het CKI van Stichting BKR ingeschreven en thans nog zichtbare coderingen en meldingen op het contractnummer [nummer] zo

spoedig mogelijk, maar uiterlijk op 14 oktober 2026 uit het CKI te (laten) verwijderen

en verwijderd te houden,

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026. Coll: BB

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter

Zaaknummer: C/13/795044 / KG ZA 26-888 NB/MV

Vonnis in kort geding van 14 oktober 2026

in de zaak van

[eiser],

te [woonplaats],

eisende partij bij dagvaarding van 9 oktober 2026,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. F.A. Kempers,

tegen

ING BANK N.V.,

te Amsterdam,

gedaagde partij,

hierna te noemen: ING,

advocaat mr. D.J. Posthuma.

1 De procedure

Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 14 oktober 2026 heeft [eiser] de dagvaarding toegelicht. ING heeft mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord verweer gevoerd.Beide partijen hebben producties in het geding gebracht. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:

[eiser] met mr. Kempers;

[naam] (van de afdeling bijzonder beheer van ING) met mr. Posthuma.In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 14 oktober 2026 een zogenoemd kopstaartvonnis gewezen. Het onderstaande vormt hiervan de uitwerking, die op 20 oktober 2026 aan partijen is afgegeven.

2 De feiten

2.1.

Sinds januari 2020 staat [eiser] (geboren in 1997) geregistreerd in het Centraal Krediet Informatiesysteem (CKI) van het Bureau Kredietregistratie (BKR) met bijzonderheidscode 2 (opeising vordering). Deze registratie is het gevolg van een roodstand van € 970,25 op een bankrekening die [eiser] aanhield bij ING.

2.2.

Op 25 mei 2026 heeft [eiser] ING verzocht de registratie te verwijderen. Op 27 mei 2026 heeft ING dit verzoek afgewezen en [eiser] bericht dat er (inclusief rente) nog een bedrag van € 1.238,24 open stond. 2.3. Op 12 augustus 2026 heeft [eiser] samen met zijn partner een koopovereenkomst gesloten voor een woning in [plaats]. De koopprijs voor de woning bedraagt € 431.013. In de koopovereenkomst is een financieringsvoorbehoud opgenomen, waarop [eiser] en zijn partner zich konden beroepen tot 28 september 2026. Tevens is in de koopovereenkomst opgenomen dat [eiser] en zijn partner een bankgarantie/ waarborgsom moeten stellen ter hoogte van € 43.101,30. Indien [eiser] en zijn partner hun verplichtingen uit de koopovereenkomst niet nakomen, zijn zij een boete verschuldigd ter hoogte van € 43.101,30.

2.4.

Op 8 september 2026 heeft Rabobank een “Renteaanbod hypotheekaanvraag” afgegeven aan [eiser] en zijn partner waaruit volgt dat deze bank in beginsel bereid is om ten behoeve van de financiering van de woning een hypothecaire geldlening te verstrekken.

2.5.

Op 22 september 2026 heeft [eiser] zijn schuld aan ING afgelost. Ingevolge artikel 14 van het Algemeen Reglement BKR blijft de registratie dan nog vijf jaar (dus tot 22 september 2031) in stand.

2.6.

Op 24 september 2026 heeft [eiser] ING opnieuw verzocht de registratie te verwijderen. Op 30 september 2026 heeft ING dit verzoek afgewezen.

2.7.

Bij e-mail van zijn hypotheekadviseur van 1 oktober 2026 is aan [eiser] bericht dat Rabobank de hypotheekaanvraag heeft goedgekeurd, maar dat deze bank met de BKR-registratie geen offerte kan afgeven.

2.8.

Bij e-mail van 6 oktober 2026 heeft de advocaat van [eiser] ING opnieuw verzocht de BKR-registratie te verwijderen.

2.9.

Bij brief van 7 oktober 2026 heeft de makelaar van de verkoper van de woning [eiser] in gebreke gesteld en hem gesommeerd binnen acht dagen zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst na te komen.

2.10.

Op 8 oktober 2026 heeft ING het onder 2.8 genoemde verzoek van de advocaat van [eiser] afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:ING te veroordelen om alle door haarzelf in het CKI van Stichting BKR ingeschreven en

thans nog zichtbare coderingen en meldingen op het contractnummer [nummer] zo

spoedig mogelijk, maar uiterlijk op 14 oktober 2026 uit het CKI te (laten) verwijderen

en verwijderd te houden, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom

van € 43.101,30, mits het vonnis is betekend en niet (tijdig) aan de veroordeling is

voldaan; kosten rechtens.

3.2.

[eiser] stelt hiertoe – samengevat weergegeven – het volgende. Dat de roodstand bij ING pas in september 2026 is ingelopen is een gevolg van een vervelende samenloop van omstandigheden. Dit had niet mogen gebeuren, maar dit maakt van [eiser] geen wanbetaler. Thans is [eiser] al langere tijd financieel stabiel. Hij en zijn partner hebben al een aantal jaren allebei een goed inkomen en zij hebben geen andere schulden. Indien [eiser] als gevolg van de BKR-registratie zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst niet kan nakomen is hij een boete verschuldigd van € 43.101,30. Dit is een buitenproportioneel gevolg zijn van de BKR-registratie. Zijn partner – die met de BKR-registratie niets van doen heeft – is ook aansprakelijk voor betaling van de boete. Ook zouden [eiser] en zijn partner op straat komen te staan als zij de woning niet kunnen afnemen, omdat zij hun huurwoning per 1 november 2026 hebben opgezegd. De belangen van [eiser] wegen daarom zwaarder dan het belang dat ING heeft bij handhaving van de registratie.

3.3.

ING heeft – samengevat weergegeven – het volgende verweer gevoerd. In de dagvaarding staat dat [eiser] pas bekend is geworden met de BKR-registratie toen hij de financiering voor de woning ging regelen, maar dit is onjuist omdat hij al op 25 mei 2026 voor de eerste keer om verwijdering van die registratie heeft verzocht. Toen dat eerste verzoek is afgewezen, is [eiser] er tevens van in kennis gesteld dat de registratie nog vijf jaar zichtbaar blijft na aflossing van de schuld. [eiser] is pas na 6,5 jaar overgegaan tot aflossing van de schuld. In die 6,5 jaar is hij nota bene verschillende keren gesommeerd door een deurwaarder, maar kennelijk zonder effect. Dit duidt op een slechte betalingsmoraal. Dat hij een koopwoning heeft gekocht, het financieringsvoorbehoud heeft laten verlopen en zijn huurwoning heeft opgezegd, duidt op het nemen van onverantwoorde financiële beslissingen en op roekeloosheid. Juist tegen dit gedrag moeten andere kredietinstellingen worden beschermd. De belangenafweging moet daarom in het voordeel van ING uitvallen. [eiser] heeft de lastige situatie waarin hij thans verkeert willens en wetens zelf gecreëerd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Op grond van de Wet financieel toezicht (Wft) is ING verplicht deel te nemen aan een stelsel van kredietregistratie. Kredietregistratie wordt uitgevoerd door het BKR. Het doel hiervan is tweeledig: enerzijds het beschermen van de consument tegen overkreditering, anderzijds het beschermen van kredietaanbieders tegen kredietnemers die hun verplichtingen niet nakomen. Registratie in het CKI van het BKR kan worden aangemerkt als het verwerken van persoonsgegevens in de zin van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Bij die verwerking dient te worden voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit komt neer op een belangenafweging.

4.2.

De voorzieningenrechter is (met ING) van oordeel dat het gedrag van [eiser] getuigt van een slechte betalingsmoraal. Hij heeft een relatief geringe schuld bij ING 6,5 jaar onbetaald gelaten en verschillende aanmaningen en sommaties van een deurwaarder genegeerd. Dit valt niet goed te praten. Ook heeft hij financieel roekeloos gehandeld door – wetende van de BKR-registratie – een woning te kopen, het financieringsvoorbehoud te laten verlopen en zijn huurwoning op te zeggen. ING heeft op zich gelijk dat andere kredietinstellingen tegen dit soort wangedrag moeten worden beschermd.

4.3.

Desalniettemin komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat handhaving van de BKR-registratie disproportioneel is en dat de belangenafweging in het voordeel van [eiser] uitvalt. Hiertoe wordt het volgende overwogen: (1) De gevolgen van handhaving van de BKR-registratie zijn funest voor [eiser]. De boete van € 43.101,30 is voor iemand van zijn leeftijd en met zijn inkomen niet te overzien. Aannemelijk is dat het verschuldigd zijn van die boete er waarschijnlijk toe zal leiden dat [eiser] in de WSNP belandt. Eveneens is aannemelijk dat handhaving van de BKR-registratie ertoe kan leiden dat [eiser] op straat komt te staan. Het komt er naar het oordeel van de voorzieningenrechter op neer dat de ‘straf’ voor een slechte betalingsmoraal en voor financieel roekeloos handelen in dit geval te groot is. Van kwade trouw aan de zijde van [eiser], in die zin dat hij de woning heeft gekocht om ING op die wijze onder druk te zetten om de BKR-registratie door te halen, is niet gebleken. (2) [eiser] sleurt zijn partner, die niets van doen heeft met de BKR-registratie, hierin mee. Ook haar belang dient de voorzieningenrechter mee te wegen. (3) Niet gebleken is dat [eiser] andere schulden heeft of wenst aan te gaan (behalve de hypothecaire lening bij Rabobank). Het inkomen van [eiser] en dat van zijn partner is zodanig hoog dat overkreditering niet aan de orde is; de huidige financiële omstandigheden van [eiser] en zijn partner zijn voldoende voor Rabobank om de hypothecaire geldlening te verstrekken. Om dezelfde reden is het belang om andere kredietinstellingen te waarschuwen beperkt, mede gezien het feit dat verbeuring van de boete wordt voorkomen nu de BKR-registratie wordt doorgehaald.

4.4.

De conclusie is dat de vordering van [eiser] zal worden toegewezen. Aan de uit te spreken veroordeling zal geen dwangsom worden verbonden omdat ING op de mondelinge behandeling van dit kort geding heeft toegezegd zich aan een veroordelend vonnis te houden.

4.5.

Ondanks dat ING grotendeels in het ongelijk is gesteld, wordt zij niet veroordeeld tot betaling van de proceskosten van [eiser]. De proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter komt tot dit oordeel omdat ING er op goede gronden voor heeft gekozen om in dit kort geding verweer te voeren. Materieel gezien is ING niet in het ongelijk gesteld; de voorzieningenrechter heeft de vordering van [eiser] slechts toegewezen ter voorkoming van het verbeuren door hem en zijn partner van de contractueel verschuldigde boete.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt ING om alle door haarzelf in het CKI van Stichting BKR ingeschreven en thans nog zichtbare coderingen en meldingen op het contractnummer [nummer] zo

spoedig mogelijk, maar uiterlijk op 14 oktober 2026 uit het CKI te (laten) verwijderen

en verwijderd te houden,

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026. Coll: BB

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.