Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Amsterdam, 19 oktober 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:10296Zaaknummer C/13/793383 / FA RK 26/6866

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19 oktober 2026
Publicatiedatum
23 oktober 2026
Zaaknummer
C/13/793383 / FA RK 26/6866
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Wzd. Beroepschrift op een klacht over afwijzing ontslagverzoek

De rechtbank:

5.1.

verklaart de klacht ten aanzien van het niet betrekken van de vertegenwoordiger van betrokkene gegrond;

5.2.

wijst het verzoek tot schadevergoeding toe tot een bedrag van 15 euro;

5.3.

verklaart het verzoek ten aanzien van de overige punten niet-ontvankelijk;

Deze beschikking is gegeven op 19 oktober 2026 door mr. E. Dinjens, rechter, in aanwezigheid van

mr. K.W. de Haan, griffier.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Procesverloop
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 Beoordeling
  5. 5 Beslissing

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd

zaaknummer / rekestnummer: C/13/793383 / FA RK 26/6866

Beschikking van 8 oktober 2026 van de rechtbank Amsterdam op het ingediende beroepschrift van:

[betrokkene],

geboren op [geboortedag] 1964,

wonende en verblijvende [adres],

zorgaanbieder: Stichting Amsta,

hierna te noemen: betrokkene,

advocaat: mr. N. de Vos te Diemen.

Ter verkrijging van een beslissing over een klacht door de verzoeker ingediend op 17 juli 2026 bij de Klachtencommissie Onvrijwillige Zorg (hierna de klachtencommissie).

Als belanghebbende in deze procedure wordt aangemerkt:

Stichting Amsta,

gevestigd te Amsterdam.

hierna te noemen: de zorgaanbieder.

1 Procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

- het beroepschrift ingediend door de advocaat van verzoeker, ontvangen ter griffie op 4 september 2026;

- het verweerschrift van de zorgaanbieder d.d. 17 september 2026.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2026 in het gebouw van de zorgaanbieder op de locatie [locatie]. Tijdens de mondelinge behandeling waren aanwezig en heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:

- betrokkene;

- bovengenoemde advocaat;

- dhr. [naam 1], specialist ouderengeneeskunde;

- dhr. [naam 2], arts;

- mw. [naam 3], mentor;

- de moeder van betrokkene.

2 De feiten

2.1.

Bij beschikking van 5 maart 2026, welke is hersteld bij beschikking van 23 maart 2026, heeft deze rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf verleend voor de duur van zes maanden. Verzoeker is opgenomen in het gebouw van de zorgaanbieder op de locatie [locatie].

2.2.

Op 18 mei 2026 heeft verzoeker een verzoek tot ontslag ingediend bij de zorgaanbieder. Dit verzoek is op 29 mei 2026 afgewezen.

2.3.

Op 17 juli 2026 heeft verzoeker een klacht ingediend bij de klachtencommissie. Verzoeker is het niet eens met de beoordeling en de afwijzing van het verzoek tot ontslag en hij betwist in dat verband de diagnose en het ernstig nadeel in de vorm van zelfverwaarlozing en maatschappelijke teloorgang. Daarnaast is verzoeker het niet eens met de stelling dat hij structuur, sturing, zorg en begeleiding nodig heeft. Verder stelt verzoeker vraagtekens bij de onafhankelijkheid van de onafhankelijke arts, nu deze werkzaam is bij de zorgaanbieder. Voorts maakt verzoeker procedureel bezwaar tegen de wijze waarop het verzoek tot het verlenen van een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf is beoordeeld. De klachtencommissie heeft op 3 augustus 2026 het klachtonderdeel met betrekking tot de gevoerde procedure, voor zover het ziet op het betrekken van de mentor of curator, gegrond verklaard en de klacht voor het overige ongegrond verklaard.

2.4.

De rechterlijke machtiging tot opname en verblijf is op 4 augustus 2026 verlengd voor de duur van een jaar. Verzoeker verblijft tot op heden bij [locatie].

3 Het verzoek

3.1.

Verzoeker kan zich niet verenigen met de beslissing van de klachtencommissie. Verzoeker

verzoekt het besluit van 3 augustus 2026 van de klachtencommissie te vernietigen en opnieuw

rechtdoende te bepalen de klachten van verzoeker alsnog gegrond te verklaren en te bepalen dat

de zorgaanbieder is gehouden tot de door verzoeker geleden schade naar redelijkheid en billijkheid te

vergoeden.

4 Beoordeling

4.1.

De advocaat heeft aangevoerd dat deze procedure ziet op hetgeen de klachtencommissie heeft beslist en derhalve is het geen verkapt hoger beroep. Tegen de laatste rechterlijke machtiging tot opname en verblijf is een cassatieverzoek ingediend. De wijze waarop de medische verklaring tot stand gekomen is niet zorgvuldig geweest, nu de onafhankelijke beoordelaar niet onafhankelijk was.

4.2.

De specialist ouderengeneeskunde heeft naar voren gebracht dat de medische verklaring is opgesteld door onafhankelijke artsen. Indien er geen behandelrelatie is tussen de onafhankelijke arts en de betrokkene, dan opereert de arts afhankelijk. Betrokkene kon ten tijde van het ontslagverzoek niet met ontslag, vanwege de ernstige nadelen die er waren. De situatie was ongewijzigd. De opname wordt geëvalueerd op vaste momenten.

4.3.

De rechtbank stelt voorop dat bij beschikking van 5 maart 2026 (hersteld bij beschikking van 23 maart 2026) van deze rechtbank reeds is beoordeeld of aan de wettelijke voorwaarden voor het verlenen van een machtiging tot opname en verblijf is voldaan, waaronder de aanwezigheid van een psychogeriatrische aandoening en het daaruit voortvloeiend ernstig nadeel. Voor zover verzoeker met zijn klacht opnieuw betwist dat bij hem sprake is van de gestelde diagnose en het ernstig nadeel, richt zijn klacht daarmee in feite tegen de grondslag van de eerder verleende rechterlijke machtiging. De onderhavige klachtprocedure biedt geen ruimte voor een hernieuwde beoordeling van de juistheid van die rechterlijke beslissing. Een dergelijke beoordeling zou neerkomen op een verkapt hoger beroep. De rechtbank zal deze onderdelen derhalve niet opnieuw inhoudelijk behandelen en verklaart dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk.

4.4.

Datzelfde geldt voor hetgeen is aangevoerd ten aanzien van de medische verklaring. Deze ligt ten grondslag aan de reeds afgegeven machtiging en een beoordeling daarvan past niet in de onderhavige klachtprocedure. Ook dit klachtonderdeel is niet-ontvankelijk.

4.5.

Ook de stellingen van betrokkene over het handelen van de klachtencommissie treffen geen doel. Ingevolge artikel 56c, eerste lid, van de Wzd, beoordeelt de rechtbank in beroep de klacht, en niet het handelen van de klachtencommissie. Voor een beoordeling van het handelen van de klachtencommissie is ingevolge de wet in deze procedure dan ook geen ruimte. De rechtbank verklaart dit klachtonderdeel eveneens niet-ontvankelijk.

4.6.

Het klachtonderdeel dat ziet op het niet betrekken van de mentor of curator in de procedure wordt op dezelfde gronden als aangenomen door de klachtencommissie, gegrond verklaard. Nu in zoverre niet is voldaan aan de eisen van procedurele zorgvuldigheid kent de rechtbank voor dit onderdeel een schadevergoeding toe van 15 euro.

5 Beslissing

De rechtbank:

5.1.

verklaart de klacht ten aanzien van het niet betrekken van de vertegenwoordiger van betrokkene gegrond;

5.2.

wijst het verzoek tot schadevergoeding toe tot een bedrag van 15 euro;

5.3.

verklaart het verzoek ten aanzien van de overige punten niet-ontvankelijk;

Deze beschikking is gegeven op 19 oktober 2026 door mr. E. Dinjens, rechter, in aanwezigheid van

mr. K.W. de Haan, griffier.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.