Uitspraak · Strafrecht

Rechtbank Amsterdam, 6 oktober 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:10288Zaaknummer 13/022607-23

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Publicatiedatum
21 oktober 2026
Zaaknummer
13/022607-23
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming.

5 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Bruil, voorzitter,

mrs. M.C. Danel en I. Struijkenkamp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.F. Wormhoudt, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 oktober 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het onderzoek ter terechtzitting
  2. 2 De vordering
  3. 3 Het procesverloop
  4. 4 Niet-ontvankelijkheid
  5. 5 Beslissing

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/022607-23 (ontneming)

Datum uitspraak: 6 oktober 2026

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de ontnemingszaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/022607-23, tegen:

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,

thans gedetineerd in [detentieplaats].

(hierna: veroordeelde)

1 Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie, mr. A. Kerkhoff, en van wat de officier van justitie en de raadsman van veroordeelde, mr. J.C. Sneep, voorafgaand en tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 6 oktober 2026 naar voren hebben gebracht.

2 De vordering

De vordering van de officier van justitie van 23 oktober 2025 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat op € 600.000,- en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van ditzelfde bedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel.

3 Het procesverloop

In de zaak tegen veroordeelde zijn de verdediging en het Openbaar Ministerie op 7 oktober 2025 procesafspraken overeengekomen. Ten aanzien van de straf werd een te eisen gevangenisstraf van vier jaar en een geldboete van € 100.000,- overeengekomen. Het wederrechtelijk verkregen voordeel werd bepaald op € 1.730.304,- waarbij de rechtbank werd verzocht een betalingsverplichting van € 500.000,- vast te stellen.

Onder verdachte zijn geldbedragen van in totaal € 250.000,- en € 350.010,- in beslag genomen. Verdachte heeft in de procesafspraken afstand gedaan van een deel hiervan, namelijk van € 100.000,-.

Op de zitting van 7 november 2025 heeft de rechtbank voornoemde procesafspraken afgewezen en de zaak voor onbepaalde tijd aangehouden. De rechtbank was van oordeel dat de gevraagde vier jaren gevangenisstraf (met geldboete) niet op voorhand passend leken bij de gevraagde bewezenverklaring. Ook was de rechtbank van oordeel dat de overeengekomen terugbetalingsverplichting niet in verhouding stond tot het overeengekomen wederrechtelijk verkregen voordeel.

Vervolgens zijn er hernieuwde procesafspraken gemaakt. Deze overeenkomst is op 15 mei 2026 ondertekend. In deze afspraken is de ontneming buiten beschouwing gelaten.

Op de zitting van 4 juni 2026 zijn de hernieuwde procesafspraken besproken. De rechtbank heeft bij vonnis van diezelfde datum aan veroordeelde een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar en zes maanden en een geldboete van € 100.000,- opgelegd. Daarnaast heeft de rechtbank een geldbedrag van € 500.010,- verbeurdverklaard, hetgeen geen onderdeel was van de procesafspraak.

De strafzaak is sinds 6 juni 2026 onherroepelijk.

4 Niet-ontvankelijkheid

De officier van justitie en de raadsman van veroordeelde hebben de rechtbank verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

In het dossier bevindt zich een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 27 oktober 2025. Dat rapport is volgens het Openbaar Ministerie achterhaald en niet meer accuraat. De rechtbank begrijpt dat dit er onder andere mee te maken heeft dat veroordeelde toen nog niet had verklaard en veroordeelde daarom in dit rapport door het Openbaar Ministerie op dat moment (nog) een (veel) grotere rol werd toebedeeld, waardoor het wederrechtelijk verkregen voordeel op een te hoog bedrag is vastgesteld. De rechtbank begrijpt verder dat inmiddels, na het onderling voeren van diverse (onderhandelings)gesprekken, waarvan de rechtbank de inhoud niet kent, de officier van justitie en de verdediging het erover eens zijn geworden dat bij een globale berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, het wederrechtelijk verkregen voordeel én de betalingsverplichting niet hoger zouden moeten zijn dan een bedrag van € 500.000,-.

Om vast te stellen welk bedrag veroordeelde wederrechtelijk precies heeft verkregen en op welk bedrag vervolgens een betaalverplichting aan de Staat moet worden gesteld, is een nauwkeurig en betrouwbaar rapport vereist. Het op laten maken van een nieuw rapport kost veel capaciteit en duurt lang, zo heeft de officier van justitie op de zitting toegelicht. Daarnaast is bij vonnis van 4 juni 2026 aan veroordeelde al een geldboete van € 100.000,- opgelegd en is een geldbedrag van € 500.010,- verbeurdverklaard. Onderzoek naar de precieze hoogte van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel dient naar het oordeel van de rechtbank daarom op dit moment geen redelijk doel meer, nu het eigenlijke doel van de ontnemingsvordering inmiddels is bereikt. Veroordeelde beschikt immers niet meer over het door partijen onderling vermeend wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dat maakt dat de rechtbank van oordeel is dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

5 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Bruil, voorzitter,

mrs. M.C. Danel en I. Struijkenkamp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.F. Wormhoudt, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 oktober 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.