Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Amsterdam, 12 oktober 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:10176Zaaknummer C/13/795016 / KG ZA 26-885

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12 oktober 2026
Publicatiedatum
20 oktober 2026
Zaaknummer
C/13/795016 / KG ZA 26-885
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

KG Executiegeschil, vordering tot schorsing van de ontruiming totdat in de verzetprocedure is beslist wordt toegewezen, onder meer omdat de volledige huurachterstand plus kosten inmiddels is voldaan.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

schorst de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 augustus 2026, zaaknummer 12309477 \ CV EXPL 26-9048, voor zover die tenuitvoerlegging ziet op de ontruiming van de woning aan [adres 1], met bijbehorende parkeerplaats [nummer],

5.2.

bepaalt dat deze schorsing geldt totdat de kantonrechter einduitspraak heeft gedaan in de door [eiser] tegen voornoemd verstekvonnis aanhangig te maken verzetprocedure,

5.3.

bepaalt dat [eiser] aan het onder 5.1 en 5.2 bepaalde geen rechten kan ontlenen indien hij niet tijdig, binnen de verzettermijn, de verzetprocedure aanhangig maakt,

5.4.

veroordeelt BPL in de proceskosten van € 1.862,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening indien dit vonnis wordt betekend,

5.5.

veroordeelt BPL tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2026.

Coll: BB

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter

Zaaknummer: C/13/795016 / KG ZA 26-885 NB/MV

Vonnis in kort geding van 12 oktober 2026

in de zaak van

[eiser],

te [woonplaats],

eisende partij bij dagvaarding van 9 oktober 2026,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. G.I. Beij,

tegen

STICHTING BPL PENSIOEN,

te Woerden,

gedaagde partij,

hierna te noemen: BPL,

advocaat mr. M. van Schie.

1 De procedure

Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 12 oktober 2026 heeft [eiser] de dagvaarding toegelicht. BPL heeft verweer gevoerd.Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en BPL tevens een pleitnota.Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:

[eiser] met mr. Beij en met [naam], van het sociaal team van de gemeente [gemeente];

namens BPL: mr. Van Schie.In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 12 oktober 2026 een zogenoemd ‘kopstaartvonnis’ gewezen. Het onderstaande vormt hiervan de uitwerking die op 15 oktober 2026 aan partijen is verstrekt.

2 De feiten

2.1.

[eiser] huurt sinds 11 september 2020 de woning aan de [adres 1] met de daarbij behorende parkeerplaats (hierna de woning). De huurprijs bedraagt op dit moment € 1.941,46 per maand. [eiser] woont in de woning met zijn partner en met drie minderjarige kinderen (een dochter van 15 jaar, een zoon van 5 jaar en een baby van 7 maanden).

2.2.

Bij verstekvonnis van 28 augustus 2026 van de kantonrechter van deze rechtbank is op vordering van BPL de huurovereenkomst ontbonden en is [eiser] veroordeeld tot ontruiming van de woning. Ook is hij veroordeeld tot betaling van achterstallige huur (€ 7.765,84 tot en met juni 2026) te vermeerderen met wettelijke rente en is hij in de proceskosten veroordeeld. Het verstekvonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.3.

Op 15 september 2026 is het verstekvonnis betekend aan [eiser]. In het exploot is [eiser] bevel gedaan om € 15.354,45 te betalen. Dit bedrag bestond uit de huurtermijnen tot en met september 2026, te vermeerderen met (proces)kosten. Tevens is in dit exploot de ontruiming aangezegd tegen 13 oktober 2026.

2.4.

Op 2 oktober 2026 heeft [eiser] € 17.311,23 overgemaakt aan de door BPL ingeschakelde deurwaarder.

2.5.

[eiser] is voornemens verzet in te stellen tegen het verstekvonnis van 28 augustus 2026. De concept-verzetdagvaarding, alsmede de instructie aan de deurwaarder om die dagvaarding uit te brengen, is door hem in het geding gebracht.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: 1. de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 augustus 2026, zaaknummer 12309477 \ CV EXPL 26-9048, te schorsen voor zover die tenuitvoerlegging ziet op de ontruiming van de woning aan [adres 1], met bijbehorende parkeerplaats [nummer];

2. te bepalen dat deze schorsing geldt totdat de kantonrechter einduitspraak heeft gedaan in de door [eiser] tegen voornoemd verstekvonnis aanhangig te maken verzetprocedure;

3. BPL te verbieden om gedurende die periode zelf, dan wel door middel van een gerechtsdeurwaarder of een andere derde, tot ontruiming van de woning en parkeerplaats over te gaan of de aangekondigde ontruiming van 13 oktober 2026 ten uitvoer te leggen;

4. subsidiair, voor het geval de voorzieningenrechter de schorsing niet zonder voorwaarden toewijsbaar acht, de tenuitvoerlegging te schorsen onder de voorwaarde dat [eiser] de lopende huur vanaf heden tijdig en volledig voldoet;

5. te bepalen dat BPL de gerechtsdeurwaarder onverwijld schriftelijk informeert over

de schorsing en de opdracht tot ontruiming intrekt, althans de uitvoering daarvan opschort;6. BPL te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 1.000 voor iedere dag

of gedeelte daarvan waarop zij in strijd handelt met het onder 1 tot en met 3 gevorderde,

met een maximum van € 25.000, althans een door de voorzieningenrechter in goede

justitie te bepalen bedrag;

7. BPL te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten

en, indien deze kosten niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis zijn voldaan,

met de wettelijke rente.

3.2.

[eiser] stelt hiertoe – samengevat weergegeven – dat hij buiten zijn schuld om in de financiële problemen is gekomen. Hij runt een uitzendbureau en de Belastingdienst heeft de G-rekening en andere rekeningen van zijn bedrijf in september 2025 geblokkeerd. Op 29 september 2026 heeft de Belastingdienst hem ‘gevrijwaard’ en de blokkade opgeheven. Kort nadien heeft [eiser] de gehele achterstand plus kosten voldaan. De gevolgen van een ontruiming zijn disproportioneel, mede omdat dan ook de drie minderjarige kinderen geen onderdak meer hebben. In dit verband verwijst [eiser] naar het Internationaal Verdrag voor de rechten van het Kind (IVRK). Van belang is verder dat kort na de geboorte van zijn jongste kind op 10 januari 2026 bleek dat dit kind ernstig ziek is; het kind heeft ruim 4 maanden op de IC gelegen en is tweemaal geopereerd. Dit heeft voor heel veel stress gezorgd. Die stress is zo opgelopen dat [eiser] in 2026 een aantal maanden elders heeft gewoond op advies van de arts. In die periode hebben zijn partner en zijn kinderen wel in de woning gewoond. Inmiddels woont [eiser] weer bij zijn gezin. Al met al is [eiser] van mening dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen.

3.3.

BPL heeft – samengevat weergegeven – het verweer gevoerd dat [eiser] in de voorbije jaren de huur zeer regelmatig niet op tijd heeft betaald. BPL heeft om die reden drie keer een deurwaarder moeten inschakelen. Daarnaast zet BPL vraagtekens bij het feit dat [eiser] van 15 april 2026 tot en met 5 oktober 2026 elders heeft gewoond (in een woning aan de [adres 2]). BPL blijft belang houden bij ontruiming van de woning. Zij wil de woning verhuren aan een betrouwbare huurder die de huur wel op tijd betaalt. Dat [eiser] kort voor de aangezegde ontruiming de volledige achterstand heeft betaald legt onvoldoende gewicht in de schaal. Dat er kinderen in de woning wonen heeft [eiser] nimmer gemeld bij (de beheerder van) BPL en kon dus in de bodemprocedure ook niet worden meegenomen. Overigens kan BPL – indien de voorzieningenrechter rekening wil houden met de aanwezigheid van de kinderen – leven met een uitstel van ontruiming van een paar maanden, maar niet met uitstel tot het vonnis is verzet is verkregen. Daarbij geldt dan wel de voorwaarde dat [eiser] de huur tijdig en volledig betaalt, bij gebreke waarvan het verstekvonnis alsnog geëxecuteerd kan worden.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019[_5de3f927-9cca-49f5-aa36-1eebcef598e0] geldt in een executiegeschil het volgende. Uitgangspunt is dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis direct ten uitvoer kan worden gelegd, nog voordat op een tegen dat vonnis ingesteld rechtsmiddel (in dit geval in verzet) is beslist. Het verstekvonnis van de kantonrechter van 28 augustus 2026 is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zonder motivering van die beslissing. In dat geval is afwijking van het hiervoor genoemde uitgangspunt gerechtvaardigd indien het belang van de veroordeelde (in dit geval [eiser]) bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling heeft verkregen (in dit geval BPL) bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. De kantonrechter heeft immers geen gemotiveerde beslissing gegeven over de uitvoerbaarheid bij voorraad, zodat daarover nog geen afweging van de belangen van partijen heeft plaatsgevonden. De rechter in het executiegeschil moet deze afweging daarom alsnog maken.

4.2.

In dit geval wegen de belangen van [eiser] bij behoud van de bestaande toestand zwaarder dan het belang van BPL dat zij een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis direct ten uitvoer mag leggen. Hiertoe is het volgende redengevend: (1) [eiser] heeft de volledige huurachterstand plus kosten voldaan en hij heeft aangeboden de huur voor drie maanden vooruit te betalen. BPL lijdt op dit moment dus geen financieel nadeel. (2) Weliswaar kan worden aangenomen dat [eiser] in het verleden eerder huurachterstanden heeft laten ontstaan, maar de ernst hiervan kan niet worden vastgesteld nu BPL hierover slechts één brief (van 16 augustus 2024) in het geding heeft gebracht, terwijl [eiser] heeft verklaard meermaals tevergeefs contact te hebben gezocht met de deurwaarder, de beheerder en BPL inzake de huurachterstand. (3) [eiser] bewoont de woning met drie minderjarige kinderen, van wie de jongste ernstig ziek is (geweest). Het IVRK verplicht de voorzieningenrechter rekening te houden met belangen van de kinderen. Aannemelijk is dat die belangen ernstig geschaad zullen worden door een ontruiming.

4.3.

Dit leidt ertoe dat de vorderingen onder 1 en 2 worden toegewezen onder de voorwaarde dat [eiser] tijdig de verzetprocedure tegen het verstekvonnis van 28 augustus 2026 tijdig aanhangig maakt.

4.4.

Bij toewijzing van de vorderingen onder 3 heeft [eiser] geen belang omdat het voor zich spreekt dat BPL niet tot ontruiming kan overgaan nu de vorderingen onder 1 en 2 worden toegewezen. Vordering 4 behoeft geen bespreking nu deze vordering subsidiair is ingesteld. Ook bij toewijzing van de vordering onder 5 heeft [eiser] geen belang nu BPL heeft toegezegd de deurwaarder te informeren. Vordering 6 is niet toewijsbaar nu aan de schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis geen dwangsom behoeft te worden verbonden.

4.5.

BPL is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding€155,67
- griffierecht€341,00
- salaris advocaat€1.177,00
- nakosten€189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€1.862,67
4.6.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

schorst de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 augustus 2026, zaaknummer 12309477 \ CV EXPL 26-9048, voor zover die tenuitvoerlegging ziet op de ontruiming van de woning aan [adres 1], met bijbehorende parkeerplaats [nummer],

5.2.

bepaalt dat deze schorsing geldt totdat de kantonrechter einduitspraak heeft gedaan in de door [eiser] tegen voornoemd verstekvonnis aanhangig te maken verzetprocedure,

5.3.

bepaalt dat [eiser] aan het onder 5.1 en 5.2 bepaalde geen rechten kan ontlenen indien hij niet tijdig, binnen de verzettermijn, de verzetprocedure aanhangig maakt,

5.4.

veroordeelt BPL in de proceskosten van € 1.862,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening indien dit vonnis wordt betekend,

5.5.

veroordeelt BPL tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2026.

Coll: BB

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.