Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Amsterdam, 2 december 2025

ECLI:NL:RBAMS:2025:9930Zaaknummer 11400744 \ CV EXPL 24-14467

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
11400744 \ CV EXPL 24-14467
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Proceskostenveroordeling, Op tegenspraak
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Eindvonnis na tussenvonnis (ECLI:NL:RBAMS:2025:5557). Te laat inleveren huurauto. Betreft BOVAG-voorwaarden. Bedingen oneerlijk en binden de consument niet; vorderingen worden afgewezen.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af,

3.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] op nihil worden begroot.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. Ploeger en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025 in het bijzijn van de griffier, mr..D.C. Vink.

57327

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De verdere beoordeling
  3. 3 De beslissing

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 11400744 \ CV EXPL 24-14467

Vonnis van 2 december 2025

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats 1],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: [gemachtigde],

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 15 juli 2025- de akte van [eiser].

1.2.

[gedaagde] is in de gelegenheid gesteld een antwoordakte te nemen, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In het tussenvonnis van 15 juli 2025 is [eiser] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de geconstateerde oneerlijkheid van de bedingen in de artikelen 6 lid 5 en 8 lid 7 van de algemene voorwaarden en de gevolgen daarvan.

2.2.

In haar akte stelt [eiser] dat de gehanteerde voorwaarden Bovag-voorwaarden betreft die tot stand zijn gekomen in samenspraak met maatschappelijke organisaties, om de rechtspositie van alle partijen te garanderen. Dit maakt dat bedingen in die voorwaarden niet als onredelijk bezwarend kunnen worden gekwalificeerd.

2.3.

Ten aanzien van artikel 8 lid 7, het beding over buitengerechtelijke kosten, stelt [eiser] dat het juist de bedoeling is geweest de wet te volgen met het beding. Volgens [eiser] wordt de wijze van verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten zoals verduidelijkt door de Hoge Raad gevolgd.

2.4.

De kantonrechter overweegt dat de enkele omstandigheid dat de algemene voorwaarden tot stand zijn gekomen in samenspraak met maatschappelijke organisaties, de bedingen niet eerlijk maakt. Het neemt namelijk niet weg dat de voorwaarden van tevoren zijn opgesteld en de consument hierdoor geen invloed op de inhoud ervan heeft kunnen hebben. Bovendien kunnen de betrokken organisaties ook op grond van andere overwegingen besluiten om in te stemmen met een beding.

2.5.

Anders dan [eiser] meent, voldoet artikel 8 lid 7 niet aan de eisen die de Hoge Raad heeft gesteld aan een aanmaning. Zoals al in het tussenvonnis is overwogen, heeft de Hoge Raad bepaald dat de termijn van veertien dagen moet worden gelezen als veertien dagen ingaande de dag na ontvangst van de aanmaning. De termijn van veertien dagen begint dus te lopen op de dag na ontvangst. De formulering die is opgenomen in artikel 8 lid 7, ‘binnen veertien dagen na ontvangst van deze betalingsherinnering’, houdt in dat de termijn op de dag van ontvangst gaat lopen en is dan ook een te korte termijn.

2.6.

Omdat [eiser] niets heeft aangevoerd om het oordeel anders te maken, blijft de kantonrechter bij zijn oordeel dat de bedingen oneerlijk zijn. De bedingen binden de consument dan ook niet. Omdat Drive On dit oneerlijke beding in haar algemene voorwaarden heeft staan, kan niet worden teruggevallen op de wet.[_c4f387bd-1579-400a-8382-3cfc21939893] Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.

2.7.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op nihil.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af,

3.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] op nihil worden begroot.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. Ploeger en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025 in het bijzijn van de griffier, mr..D.C. Vink.

57327

Samenhangende uitspraken

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.