Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Amsterdam, 6 november 2025

ECLI:NL:RBAMS:2025:8570Zaaknummer 11692010 \ CV EXPL 25-6972

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
11692010 \ CV EXPL 25-6972
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak, Verstek
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verstek. Niet gesteld dat is voldaan aan informatieplichten. Alleen al daarom kan de vordering niet worden toegewezen. Los daarvan bevat de overeenkomst die aan de vordering ten grondslag ligt geen prijs. Ook niet toegelicht hoe de betalingsvoorwaarden van nadien ingeschakelde gemachtigde van toepassing zijn geraakt. Vordering afgewezen.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

wijst de vordering af,

3.2.

veroordeelt eisende partij in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde partij begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op

6 november 2025.

991

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De beoordeling
  3. 3 De beslissing

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 11692010 \ CV EXPL 25-6972

Vonnis van 6 november 2025

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VBOT B.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

eisende partij,

gemachtigde: Medicas B.V.,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij,

niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 30 april 2025, met producties,- het tegen gedaagde partij verleende verstek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

2.1.

Eisende partij vordert uit hoofde van een met gedaagde partij gesloten onderwijsovereenkomst veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 980,52 aan hoofdsom, vermeerderd met rente, incassokosten en proceskosten.

2.2.

De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan de Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).

2.3.

Over de naleving van de informatieplichten heeft eisende partij in de dagvaarding niets gesteld. Reeds hierom kan de vordering niet worden toegewezen (verwezen wordt naar ECLI:NL:HR:2021:1677, rechtsoverweging 3.1.17), nu eisende partij op dit punt niet heeft voldaan aan haar stelplicht door de voor de beoordeling van belang zijnde informatie niet volledig te verstrekken.

2.4.

Los daarvan constateert de kantonrechter dat eisende partij bedragen vordert op grond van de tussen partijen gesloten onderwijsovereenkomst, maar dat deze overeenkomst in het geheel geen prijs staat vermeld, terwijl dat de kern van de prestatie is. Weliswaar staan prijzen vermeld op het inschrijfformulier, maar die komen niet overeen met de prijzen in de factuur. De factuur dateert overigens van 31 januari 2024, terwijl de onderwijsovereenkomst tussen partijen pas daarna tot stand is gekomen. Bovendien heeft gedaagde partij op het inschrijfformulier gekozen voor betaling in drie termijnen, maar het volledige studiegeld is ineens gefactureerd. Termijnbetalingsinstructies zijn niet gegeven.

2.5.

Tot slot hanteert eisende partij kennelijk betalingsvoorwaarden van haar nadien ingeschakelde incassogemachtigde. Op welke wijze gedaagde partij daarvan kennis heeft kunnen nemen en/of daarmee akkoord is gegaan, is niet toegelicht.

2.6.

Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, komt de vordering vanwege het voorgaande ongegrond voor. De vordering wordt daarom afgewezen.

2.7.

De kantonrechter merkt ten overvloede op dat al sinds 1 oktober 2019 geen tussenvonnissen meer worden gewezen om ontbrekende informatie benodigd voor het ambtshalve onderzoek van de kantonrechter op te vragen.

2.8.

Eisende partij wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van gedaagde partij worden begroot op nihil.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

wijst de vordering af,

3.2.

veroordeelt eisende partij in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde partij begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op

6 november 2025.

991

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.