Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Amsterdam, 3 november 2025

ECLI:NL:RBAMS:2025:8117Zaaknummer 25/1101

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
3 november 2025
Publicatiedatum
4 september 2026
Zaaknummer
25/1101
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beroep niet-ontvankelijk. Geen gronden ingediend in het beroepschrift. Eiseres heeft ook niet binnen de termijn alsnog gronden ingediend.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2025.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Inleiding
  2. Totstandkoming van de besluiten
  3. Beoordeling door de rechtbank
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Rechtsmiddel

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 25/1101

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres,

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Bouhuys).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van verweerder om eiseres een zogeheten “ov-boete” van € 537,28 op te leggen wegens het gebruiken van een studentenreisproduct in de periode van oktober en november 2024 waar zij volgens verweerder geen recht op had.

Met het primaire besluit van 10 december 2024 heeft verweerder aan eiseres een ov-boete van € 537,28 opgelegd wegens het volgens verweerder ten onrechte gebruiken van een studentenreisproduct in de periode van oktober tot en met november 2024.

Met het bestreden besluit I van 12 februari 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres niet tijdig bezwaar heeft gemaakt. Verweerder heeft op 24 februari 2025 het bestreden besluit II genomen en het bestreden besluit I ingetrokken. Met het bestreden besluit II heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2025. Eiseres was – zonder voorafgaand bericht – niet aanwezig. Verweerder heeft zich door middel van een videoverbinding laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Totstandkoming van de besluiten

1. Eiseres heeft de voltijd masteropleiding [naam] aan de [universiteit] gevolgd. Zij heeft deze opleiding met een diploma behaald. De [universiteit] heeft hierna eiseres per 30 september 2024 uitgeschreven als voltijdstudent. Eiseres heeft volgens verweerder dan ook vanaf oktober 2024 geen recht op een basisbeurs, een studielening en een reisvoorziening.

2. Eiseres heeft in de maanden oktober 2024 en november 2024 wel gebruik gemaakt van de reisvoorziening. Eiseres ging ervan uit dat zij daarvan gebruik mocht maken. Zij stelt zich op het standpunt dat zij zich pas op 2 november 2024 heeft uitgeschreven voor haar studie. Aangezien iemand volgens eiseres pas wordt uitgeschreven op de laatste dag van de maand, dacht zij dat zij ook in november nog mocht reizen. Verweerder heeft echter van de [universiteit] vernomen dat eiseres per 30 september 2024 is uitgeschreven. Omdat eiseres volgens verweerder daarna ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de reisvoorziening, heeft verweerder het primaire besluit genomen. Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar in eerste instantie niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres niet binnen zes weken bezwaar heeft gemaakt. Volgens verweerder is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar, omdat eiseres geen geldige reden heeft gegeven voor haar te late bezwaar.

3. Met het bestreden besluit II heeft verweerder het bezwaar van eiseres alsnog inhoudelijk behandeld. Volgens verweerder is het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft daarom het bestreden besluit I ingetrokken. Verweerder heeft het bezwaar vervolgens ongegrond verklaard. De [universiteit] heeft aan verweerder doorgegeven dat eiseres per 30 september 2024 is uitgeschreven. Daarom heeft zij met ingang van 1 oktober 2024 geen recht meer op studiefinanciering en het gebruik van haar studentenreisproduct. Indien eiseres het niet eens is met haar uitschrijfdatum dan dient zij zich tot de [universiteit] te wenden.

Beoordeling door de rechtbank

4. Op grond van artikel 6:19, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft het beroep dat is ingesteld tegen het bestreden besluit I van rechtswege mede betrekking op het bestreden besluit II. Verweerder heeft daarin het bezwaar van eiseres alsnog ontvankelijk geacht. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiseres een belang heeft bij een oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit I, nu dat besluit met het bestreden besluit II is herroepen. De rechtbank zal zich dan ook niet uitlaten over eiseres haar beroepsgronden tegen het niet-ontvankelijk verklaren van haar bezwaar. Het beroep voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit I is niet-ontvankelijk.

5. De rechtbank komt tot het oordeel dat ook het beroep zover dat is gericht tegen het bestreden besluit II niet-ontvankelijk is omdat eiseres de gronden van het beroep niet heeft vermeld en dat verzuim niet tijdig heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

6. Iemand die beroep instelt, moet in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden.[_4814ff3c-9ace-4cd2-93da-71238cbfb619] Dat houdt in: zeggen op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank na een herstelmogelijkheid het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.[_15bb480d-da98-4680-af9b-c1bd95d3a551]

7. Eiseres heeft geen beroepsgronden tegen het bestreden besluit II vermeld in het beroepschrift. Haar beroepsgronden zagen alleen op de niet-ontvankelijkheid. Eiseres heeft niet concreet aangegeven waarom zij het niet eens is met de inhoudelijke kant van de zaak, namelijk de oplegging van de ov-boete. De rechtbank heeft eiseres in haar brief van 13 augustus 2025 daarom verzocht om binnen vier weken aan te geven of en waarom zij het niet eens is met het bestreden besluit II. Eiseres heeft binnen die termijn geen gronden ingediend. Ook heeft eiseres geen reden gegeven waarom zij niet tijdig de gronden heeft ingediend. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Eiseres was ook niet op de zitting aanwezig om aan te geven waarom zij het niet eens is met de beslissing van verweerder om de ov-boete in stand te laten.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2025.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.