Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Amsterdam, 8 januari 2025
ECLI:NL:RBAMS:2025:207Zaaknummer 23/7431
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 8 januari 2025
- Publicatiedatum
- 13 mei 2025
- Zaaknummer
- 23/7431
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Proces-verbaal
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Mondelinge uitspraak. Afwijzing aanvraag parkeervergunning omdat het vergunningenplafond in het gebied waarvoor eiser een vergunning heeft aangevraagd op nul is gesteld. Deze rechtbank is van oordeel dat het college een nulplafond mag hanteren en het college mag zijn beleid op deze manier uitvoeren. Beroep op het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Geen sprake van hardheid. Beroep ongegrond.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2025 door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
| griffier | rechter |
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/7431
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
8 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder, hierna: het college
(gemachtigde: mr. D.F. Rosenbaum).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een bewonersvergunning parkeren (hierna: parkeervergunning).
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 24 juni 2023 afgewezen omdat het vergunningenplafond in het gebied waarvoor eiser een vergunning heeft aangevraagd op nul is gesteld en er dus geen parkeervergunningen worden verleend voor dat gebied. Met het bestreden besluit van 16 november 2023 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 8 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
2.
De rechtbank beoordeelt of het college de aanvraag voor een parkeervergunning mocht afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. Eiser heeft op zitting aangevoerd dat het parkeerbeleid van het college, met name het nulplafond dat in het Uitwerkingsbesluit nader is uitgewerkt, onredelijk is. Volgens eiser is het oneerlijk dat twee huizen verderop men twee parkeervergunningen per adres kan krijgen en dat hij geen parkeervergunning kan krijgen.
4. In de Parkeerverordening 2013 is bepaald dat het college regels kan stellen aangaande het verguningenplafond per vergunningsgebied.[_ef4d953c-da4f-4678-9ceb-40972c9a1259] Volgens onderdeel 4.5, onder b, van de bijlage bij artikel 2 van het Uitwerkingsbesluit is het adres van eiser, [adres 1] [huisnummer 1], gelegen in deelvergunninggebied [adres 2]. Uit artikel 3, onderdeel 4, van het uitwerkingsbesluit volgt dat het vergunningenplafond voor deelvergunninggebied [adres 2] vastgesteld op nul. Het college heeft ter zitting toegelicht dat dit nulplafond geldt voor alle nieuwbouwwoningen in het betreffende vergunningsgebied. Het college heeft ervoor gekozen het aan de ontwikkelaar van het nieuwbouwproject over te laten om al dan niet parkeermogelijkheden te realiseren voor de toekomstige bewoners. De ontwikkelaar van de nieuwbouwwoning van eiser heeft hier kennelijk niet voor gekozen. De keuze van het college om het realiseren van parkeerplaatsen aan de ontwikkelaar over te laten hangt samen met het beleid van het college om het autogebruik in de stad de reguleren. Hierbij komt het college beleidsvrijheid toe. Deze rechtbank heeft al eerder geoordeeld dat het college een nulplafond mag hanteren. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college zijn beleid op deze manier heeft kunnen uitvoeren en de aanvraag van eiser voor een parkeervergunning kon afwijzen op grond van het ingestelde nulplafond. Dit betekent dat de beroepsgrond van eiser faalt.
5. Verder heeft eiser aangevoerd dat het weigeren van de parkeervergunning in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat de bewoner van het adres [adres 1] [huisnummer 2] wel een parkeervergunning heeft. Bij de beoordeling van deze beroepsgrond spelen twee aspecten een rol. Indien aan iemand anders ten onrechte een parkeervergunning is verleend, dan is dat geen reden om eiser – ondanks dat hij niet aan de vereisten voldoet – ook een parkeervergunning te geven. Het gelijkheidsbeginsel strekt namelijk niet zo ver dat het college eerder gemaakte fouten zou moeten herhalen. Dit is volgens vaste rechtspraak van de Afdeling[_1d516a68-f88c-42c2-a3d7-e4fef4cab2a9] een aanvaard uitgangspunt. Bovendien heeft het college op zitting te kennen gegeven dat de parkeervergunning van de bewoner van het adres [adres 1] [huisnummer 2] bij besluit van 25 november 2024 met ingang van 1 april 2025 is ingetrokken. Voor zover als sprake is geweest van gelijke gevallen, is dat nu dus niet meer zo. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt gelet op het voorgaande niet.
6. Voor zover eiser heeft betoogd dat hij erop mocht vertrouwen dat hij een parkeervergunning zou krijgen volgens de parkeerkaart op de website van de gemeente Amsterdam, heeft eiser dit standpunt niet nader kunnen onderbouwen. Het standpunt van eiser dat hij door de woningadvertentie van zijn huidige woning, waarin stond dat parkeren middels een vergunning gaat, erop mocht vertrouwen dat hij een parkeervergunning zou krijgen, volgt de rechtbank evenmin. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is nodig dat er aan eiser een concrete toezegging is gedaan door het college. Daarvan is niet gebleken. Wat in de woningadvertentie van de woningcorporatie staat is geen toezegging vanuit het college.
7. Tot slot voert eiser aan dat er een uitzondering moet worden gemaakt in zijn specifieke geval. Eiser heeft zijn parkeervergunning in Amsterdam Oost moeten achterlaten, hij heeft veel reistijd naar zijn werk en er zijn veel parkeerplekken voor zijn woning vrij. De rechtbank begrijpt dit betoog als een beroep op de hardheidsclausule. De regeling in de Parkeerverordening is heel strikt en dwingend. Dit hangt samen met het doel van het beleid van het college, dat erop gericht is het autogebruik in de stad de reguleren en terug te dringen. Daarom kan alleen in uitzonderlijke gevallen (hardheid) in afwijking van de Parkeerverordening een parkeervergunning worden verleend wanneer er een nulplafond geldt in een vergunningsgebied. Het college heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat hiervan in het geval van eiser geen sprake is. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het voor eiser vanuit praktisch oogpunt lastig is dat hij geen parkeervergunning heeft, onderscheidt de situatie van eiser zich niet in bijzondere mate van de situatie van andere in Amsterdam wonende personen die een auto nodig hebben voor woon-werkverkeer of voor andere afspraken.
8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de parkeervergunning terecht is geweigerd.
Conclusie en gevolgen
9.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2025 door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
| griffier | rechter |
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.