Uitspraak · Omgevingsrecht

Rechtbank Amsterdam, 24 september 2025

ECLI:NL:RBAMS:2025:11524Zaaknummer AMS 25/5160 en 5161

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24 september 2025
Publicatiedatum
17 augustus 2026
Zaaknummer
AMS 25/5160 en 5161
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening+bodemzaak
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres, gericht tegen een vergunning voor het kappen van een boom. Het college wil namelijk twee woontorens bouwen, en stelt zich op het standpunt dat dat niet kan zonder de boom te kappen. Eiseres is het daar niet mee eens. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de vergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.W. Steenhoff, griffier, en uitgesproken in het openbaar op24 september 2025.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiseres], uit [woonplaats], verzoekster en eiseres (hierna: eiseres)
  2. Samenvatting
  3. Inleiding
  4. Het toetsingskader
  5. De beoordeling van de voorzieningenrechter
  6. Conclusie en gevolgen
  7. Beslissing
  8. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 25/5160 en 25/5161

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 september 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], verzoekster en eiseres (hierna: eiseres)

(gemachtigde: [gemachtigde 1]),

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college

(gemachtigde: [gemachtigde 2]).

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: de gemeente Amsterdam uit Amsterdam (vergunninghouder)

(gemachtigde: [gemachtigde 3]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres, gericht tegen een vergunning voor het kappen van een boom. Het college wil namelijk twee woontorens bouwen, en stelt zich op het standpunt dat dat niet kan zonder de boom te kappen. Eiseres is het daar niet mee eens. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de vergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen.

Inleiding

2. Op 1 oktober 2024 heeft het college aan vergunninghouder een vergunning verleend voor het kappen van zeventien bomen ten behoeve van de ontwikkeling van [naam] op de locatie [locatie] (hierna ook: het bouwplan).

3. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Op 22 mei 2025 heeft het college het bezwaar van eiseres (in juridische termen) niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat het college het bezwaar van eiseres niet inhoudelijk heeft behandeld. De reden hiervoor is dat eiseres volgens het college geen belanghebbende was bij de vergunning.

4. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen om de kap van de bomen te voorkomen.

5. Op 22 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter uitspraak gedaan op zowel het verzoek om voorlopige voorziening, als op het beroep. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat eiseres wel belanghebbende is bij de kap van de boom met nummer [nummer], maar niet bij de kap van de overige zestien bomen. De voorzieningenrechter heeft het college daarom opgedragen opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen en – kort samengevat – bepaald dat de boom met nummer [nummer] niet mag worden gekapt tot zes weken na die nieuw te nemen beslissing op bezwaar.

6. Op 5 augustus 2025 heeft het college opnieuw op het bezwaar van eiseres beslist en het bezwaar van eiseres, voor zover gericht tegen de boom met nummer [nummer], ongegrond verklaard.

7. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, nog steeds met het doel de kap te voorkomen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 september 2025 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [de persoon 1], bomendeskundige. Vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [de persoon 2], [functie] bij het ingenieursbureau. Ook aanwezig was [de persoon 3], werkzaam bij de [bedrijf].

8. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiseres.[_f6eec6f8-d46b-440b-9c4a-685e599f9587]

Het toetsingskader

9. Het college moet bij iedere aanvraag voor een kapvergunning een afweging maken van alle betrokken belangen, zowel de belangen die de aanleiding voor de aanvraag vormen, als de belangen bij het behoud van de bomen. In artikel 5 van de Bomenverordening 2014 zijn enkele weigeringsgronden opgenomen, die zijn bedoeld om deze afweging zo goed mogelijk te kunnen maken. Deze weigeringsgronden zijn dus niet dwingend. Dit betekent dat als sprake is van één of meer van de weigeringsgronden, de vergunning niet automatisch moet worden geweigerd. De rechter hoeft niet te beoordelen welke uitkomst van de belangenafweging het meest evenwichtig is, maar of het college in redelijkheid tot de uitkomst van de belangenafweging heeft kunnen komen.

De beoordeling van de voorzieningenrechter

10. De voorzieningenrechter stelt vast dat deze procedure alleen gaat over de boom met nummer [nummer] (hierna: de boom). Partijen zijn het erover eens dat de boom op dit moment in redelijke staat verkeert en dat voor het bouwplan een onherroepelijke omgevingsvergunning is verleend.

11. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college verschillende onderzoeken aan de vergunning ten grondslag heeft gelegd, waaronder twee boomeffectanalyses: één van 20 november 2023 en één van 8 december 2023. In deze boomeffectanalyses is geconcludeerd dat (onder meer) de boom niet behouden kan blijven bij de bouw van de woontorens. Samengevat en voor zover relevant, staat in deze analyses dat de toekomstige bebouwing, volgens de schematische weergave van de metingen ter plaatse, valt binnen de huidige kroon van de boom. Voor zover er al sprake zou zijn van enige ruimte tussen de kroon en het toekomstige gebouw, is die te klein. Er moet namelijk rekening worden gehouden met verdere uitgroei van de kroon, mede door het uitzakken van de takken, en met een takvrije zone rondom de bouw. Ook ondergronds gaat veel groeiruimte verloren. Een deel van de groeiruimte die ondergronds beschikbaar was, wordt in de toekomst namelijk ingenomen door de gebouwde omgeving. Ook de werkzaamheden hebben een kwalijke invloed op de groeiplaats, en daarmee ook op de boomwortels en dus de bomen zelf. Verder ligt het voor de hand dat de conditie terugloopt, vanwege de schade aan de boom en groeiplaats die al is veroorzaakt bij de sloop van de gebouwen die hier eerder stonden. Ten slotte wordt meegewogen dat de boom vanaf het begin in een consistente situatie staat en dat de nieuwe hoogbouw in de directe nabijheid daar verandering in brengt. De windbelasting wijzigt, wat gevolgen heeft op de mechanische belasting van de boom. Zeker met het verminderen van de conditie en eventueel nog in combinatie met snoei om ruimte voor de bebouwing te creëren kan dit leiden tot takbreuk.

12. Het is vaste rechtspraak dat het college zich bij een besluit op een aanvraag om een kapvergunning op boomeffectanalyses als deze mag baseren als deze zorgvuldig, inzichtelijk en concludent zijn. Dat kan anders zijn als er concrete aanknopingspunten zijn om aan de inhoud of de conclusie van de analyses te twijfelen.

Zijn er concrete aanknopingspunten om aan de analyses te twijfelen?

13. Eiseres voert aan dat de conclusie van het college dat de boom gekapt moet worden, niet overtuigend is. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt een second opinion van BomenBeschermingAmsterdam (hierna: BBA) van 7 september 2025 overgelegd. BBA verwijst naar een tabel uit 2024, waarin de diameter van de kroon op 17 meter is vastgesteld. Rekening houdend met uitgroei, zal de kroon van de boom een maximale diameter van 20 meter bereiken en dus de raampartijen niet raken. Onder de kroonprojectie wordt niets gebouwd, waardoor het aan te leggen terras de ondergrondse groeiruimte niet aantast. Het terras dat zal worden gebouwd loopt niet tot de boom, maar op afstand tot aan de erfgrens met de openbare ruimte. De graafwerkzaamheden vinden buiten de vijfmetergrens plaats. De ondergrondse groeiruimte blijft dus intact. Onder de kroonprojectie wordt geen ondergrondse infrastructuur aangelegd en niet geheid of geboord. De conclusie dat de conditie van de boom terug zal lopen door de schade die bij eerdere sloopwerkzaamheden is ontstaan wordt nergens door gestaafd. Windbelasting was er ook in de oude situatie en kunnen bomen als deze in het algemeen moeiteloos aan.

14. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze second opinion van BBA onvoldoende is om te twijfelen aan de juistheid van de boomeffectanalyses die het college aan de vergunning ten grondslag heeft gelegd. De voorzieningenrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

15. Uit de boomeffectanalyse van 20 november 2023 en de toelichting van de bomendeskundige op de zitting volgt dat ter plaatse onderzoek is gedaan naar de samenstelling van de grond, de aanwezigheid van wortels en de huidige kroonomvang. Op basis van dat onderzoek is onder meer de tekening gemaakt waarop te zien is dat de huidige kroon de toekomstige bebouwing zal raken, althans dat er zodanig weinig ruimte is tussen de kroon en het te realiseren gebouw dat geen sprake zal zijn van minimaal een meter takvrije ruimte. Daarnaast is vastgesteld dat de bodem uit zand bestaat, waardoor de boom verder dan een meter buiten de kroon is geworteld.

16. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze bevindingen. BBA heeft geen eigen onderzoek ter plaatse gedaan, maar baseert zich op een tabel uit 2024, waarin is opgenomen dat de diameter van de kroon 17 meter is. Deze tabel, die met een ander doel is vastgesteld, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om aan te nemen dat er wel voldoende afstand zou zijn tussen de kroon en de toekomstige bebouwing. De voorzieningenrechter kan niet vaststellen hoe die diameter is vastgesteld en of dit ook is gebeurd op basis van een meting ter plaatse. Daarnaast blijkt uit de weergave van de feitelijke situatie in de boomeffectanalyse dat de kroon niet precies in een cirkel recht boven de stam zit; het grootste deel van de kroon bevindt zich aan de gebouwzijde van de stam. Haar stellingen dat de bouw niet raakt aan de wortels en de ondergrondse groeiruimte, baseert BBA op een berekening van de wortelomvang op basis van de kroonomvang van 17 meter en niet op onderzoek van de bodem en de wortels zoals in de boomeffectanalyses. Ook in zoverre zijn er dus geen andere onderzoeksbevindingen die kunnen doen twijfelen aan de juistheid van de bevindingen in de boomeffectanalyses.

17. De voorzieningenrechter volgt daarom het standpunt van het college dat de boom gezien zijn huidige kroonomvang en wortelbereik niet op voldoende afstand van de toekomstige bebouwing staat, er dus onvoldoende takvrije ruimte is en de boom onvoldoende boven- en ondergrondse ruimte heeft om te groeien. De vraag of de kroon nog groter wordt, kan daarom onbesproken blijven. Dat geldt ook voor de verdere argumenten van eiseres over het heien en het al dan niet beperken van de groeiruimte, omdat deze uitgaan van de conclusies van BBA voor wat betreft de omvang van de kroon en de beworteling. Zoals hiervoor toegelicht, volgt de voorzieningenrechter deze conclusies niet.

18. Aan eiseres kan worden toegegeven dat het college niet voldoende heeft toegelicht waarom de bouwplaats niet zo kan worden ingericht, en de aan- en afvoer van materieel en materiaal ten behoeve van de bouw niet zo kan plaatsvinden, dat de boom daar geen schade van ondervindt. Ook de onderbouwing van de stellingen dat de boom al schade heeft opgelopen en de windbelasting (in relevante mate) wijzigt met de nieuwe bebouwing, laat te wensen over. Dit maakt het oordeel van de voorzieningenrechter echter niet anders, omdat voldoende is onderbouwd dat de toekomstige bebouwing te dicht op de boom staat en dat dit doorslaggevend is geweest voor de verlening van de vergunning.

19. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is met de boomeffectanalyses voldoende zorgvuldig onderzoek verricht naar de vraag of de boom behouden kan blijven en mocht het college zich bij zijn besluitvorming op die analyses baseren. Gelet op de uitkomst hiervan en het belang bij uitvoering van het bouwplan, waarvoor een onherroepelijke vergunning is verleend, heeft het college in redelijkheid de gevraagde vergunning kunnen verlenen.

Conclusie en gevolgen

20. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Ook krijgt eiseres geen vergoeding van het griffierecht of proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.W. Steenhoff, griffier, en uitgesproken in het openbaar op24 september 2025.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.