Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Amsterdam, 14 oktober 2025

ECLI:NL:RBAMS:2025:11421Zaaknummer C/13/775418 / KG ZA 25-733

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14 oktober 2025
Publicatiedatum
18 september 2026
Zaaknummer
C/13/775418 / KG ZA 25-733
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig, Kort geding, Proceskostenveroordeling, Op tegenspraak
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

voortzetten bankrelatie

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt de bank om de relatie met [eiser 1], [eiser 4], [eiser 5], [eiser 2] en [eiser 3] voort te zetten, althans binnen één werkdag na betekening van dit vonnis te herstellen, zodat zij weer in de positie komen te verkeren waarin zij zich bevonden voordat de relaties werden opgezegd,

5.2.

verbiedt de bank om [eiser 1], [eiser 4], [eiser 5], [eiser 2] en [eiser 3] op grond van de feiten die nu ten grondslag zijn gelegd aan de beëindiging van de relaties op de CAAML-lijst te plaatsen, en gebiedt de bank hen van de CAAML-lijst te verwijderen indien zijn daar al op staan,

5.3.

veroordeelt de bank in de proceskosten van € 2.118,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de bank niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na vonnisdatum tot aan de dag van volledige betaling,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E. van Bennekom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2025.

Coll: MV

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK Amsterdam

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

Zaaknummer: C/13/775418 / KG ZA 25-733 NB/EB

Vonnis in kort geding van 14 oktober 2025

in de zaak van

1 [eiser 1] B.V.,

te [vestigingsplaats 1] ,2. [eiser 2],

te [woonplaats] ,3. [eiser 3],

te [woonplaats] ,4. [eiser 4] B.V.,

te [vestigingsplaats 1] ,5. [eiser 5] B.V.,

te [vestigingsplaats 2],

eisende partijen bij dagvaarding van 23 september 2025,

hierna samen te noemen: [eisers],

advocaten: mr. D.H.J. Hooreman en mr. M.M. van Steenpaal,

tegen

ABN AMRO BANK N.V.,

te Amsterdam,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de bank,

advocaat: mr. E. Jagt.

Partijen zullen hierna eisers en de bank worden genoemd. Afzonderlijk zullen eisers worden aangeduid als [eiser 1], [eiser 2], [eiser 3], [eiser 4] en [eiser 5].

1 De procedure

Op de zitting van 30 september 2025 hebben eisers de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. De bank heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van een conclusie van antwoord. Beide partijen hebben producties ingediend. Eisers hebben gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die aan het procesdossier zijn toegevoegd.

Ter zitting waren aan de zijde van eisers aanwezig [eiser 2], [naam 1] (directeur van [eiser 4] ), mr. Hooreman en mr. Van Steenpaal.

Aan de zijde van de bank waren aanwezig mr. [naam 2] (legal counsel) en mr. Jagt.

Vonnis is bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

De onderneming van [eiser 1] is actief in de houthandel. [eiser 2] is directeur-eigenaar van [eiser 1]. Hij is de enige werkzame persoon binnen de onderneming.

2.2.

In het handelsregister staan bij van [eiser 4] als activiteiten vermeld “opslag in distributiecentra en overige opslag (niet in tanks, koelhuizen e.d.)”. Bestuurders van [eiser 4] zijn [eiser 5] en [naam 1]. [eiser 5] houdt 96% van de aandelen in [eiser 4], en [eiser 1] de overige 4%. Bestuurder en enig aandeelhouder van [eiser 5] is [eiser 3], de vader van [eiser 2].

2.3.

Bij brieven van 13 maart 2025 aan [eiser 1] en [eiser 4] heeft de bank in het kader van KYC-onderzoeken een aantal vragen gesteld en documentatie opgevraagd. De vragen waren met name gericht op de vraag of en hoe [eiser 1] en [eiser 4] de regelgeving op het gebied van sancties en het tegengaan van illegale houtkap en ontbossing naleven. Voor [eiser 4] kwamen daar nog een paar vragen bij over de activiteiten en structuur van de vennootschap. De bank heeft over vijf transacties van [eiser 1] de volgende documentatie opgevraagd:

  • facturen;
  • de contracten die ten grondslag liggen aan de transacties;
  • transportdocumentatie (vrachtbrieven, waybills e.d.);
  • inklaringsdocumentatie;
  • documentatie die de oorsprong van het door [eiser 1] geïmporteerde hout aangeeft.

Over twee transacties van [eiser 4] heeft de bank de volgende documentatie opgevraagd:

  • vrachtbrieven;
  • inklaringsdocumentatie;
  • het contract dat aan de transacties ten grondslag ligt;
  • documentatie die de oorsprong van het hout bevestigt.
2.4.

Bij e-mail van 16 maart 2025 heeft [eiser 1] geantwoord, kort samengevat:

  • dat zij voorbereid is op de inwerkingtreding van de Europese Ontbossingsverordening (EUTR) per 30 december 2025 (“juiste informatie en documentatie van leveranciers”);
  • dat zij regelmatig de sanctiemap van de EU bekijkt en daarover overleg heeft met instanties, waaronder de inklaringsagenten;
  • dat zij alle leveranciers screent op juiste documenten onder andere certificaten van herkomst FSC en dat ze onderzoek naar de leveranciers doet, onder meer door contact met hen te hebben;
  • dat ze dit onderzoek doet alvorens tot zaken over te gaan; en
  • dat ze in de meeste gevallen FSC hout verhandelen, in welk geval ze het FSC certificaatnummer screent en dat ze zelf ook FSC gecertificeerd is.

Voor de vijf specifieke transacties heeft [eiser 1] facturen overgelegd, maar geen andere documentatie. [eiser 1] heeft toegelicht dat zij de gekochte goederen niet zelf had ingeklaard.

2.5.

Bij brief van 1 april 2025 heeft de bank [eiser 1] gevraagd de ontbrekende documenten alsnog aan te leveren. Daarbij heeft de bank opgemerkt dat [eiser 1] op grond van de EUTR een risicoanalyse moet opstellen met betrekking tot de status van het hout dat zij aankoopt en dat zij een Due Diligence System (DDS) moet implementeren bij de aankoop van het hout. De bank heeft gevraagd hoe [eiser 1] aan die verplichtingen voldoet en hoe het DDS van [eiser 1] functioneert.

2.6.

Na verleend uitstel heeft [eiser 4] op 2 april 2025 een brief aan de bank gestuurd waarin zij haar activiteiten en huidige structuur heeft toegelicht en de vragen gericht op sancties en illegale houtkap heeft beantwoord. Die antwoorden komen er kort gezegd op neer dat zij in 2024 korte tijd actief is geweest onder de handelsnaam [bedrijf], en dat die activiteit uitsluitend was gericht op de verkoop van een reeds aanwezige voorraad hout. Er heeft geen structurele import of nieuwe inkoop plaatsgevonden en inmiddels is [bedrijf] niet meer actief. Om die reden zijn er ook geen leveranciers of toekomstige contracten om te vermelden, was de EUTR niet op haar van toepassing en zal ook de opvolgende regeling, de EUDR, dat niet zijn, is er voor [eiser 4] geen noodzaak om over een FSC- of PEFC-certificaat te beschikken en is een actief screeningsbeleid voor haar niet relevant, dit alles aldus de brief van 2 april 2025

2.7.

De bank, die de brief van 2 april 2025 niet had ontvangen, heeft [eiser 4] op 7 april 2025 een herinnering gestuurd. Daarin is [eiser 4] gewaarschuwd dat als ze niet zou reageren, de bank het klantonderzoek niet kan afronden en niet kan voldoen aan haar wettelijke verplichting op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft). [eiser 4] is gewaarschuwd dat het gevolg daarvan kan zijn dat de bank uiteindelijk besluit om afscheid van haar te nemen en dat dat ook geldt voor (andere) betrokken personen bij [eiser 4], zoals bestuurders en uiteindelijk belanghebbenden, en/of andere relaties van [eiser 4].

2.8.

Op 9 april 2025 is er telefonisch contact geweest tussen de bank en [eiser 2] ( [eiser 1] ). [eiser 2] liet in dat gesprek zijn ongenoegen blijken over de tweede vragenbrief; hij wilde liever mondeling dan schriftelijk antwoord geven.

2.9.

In een brief van 12 mei 2025 heeft de bank aan [eiser 1] uitgelegd dat en waarom zij het nodig vindt het onderzoek schriftelijk uit te voeren, en gewezen op haar verplichtingen onder de Wwft. In deze brief staat dat de bank op grond van de Wwft verplicht is de relatie te beëindigen als zij het klantonderzoek niet kan afronden, en dat dit ook geldt voor (andere) betrokken personen bij [eiser 1], zoals bestuurders en uiteindelijk belanghebbenden, en/of andere relaties van [eiser 1].

2.10.

In een e-mail van 13 mei 2025 heeft [eiser 1] geantwoord, samengevat, dat ze de afkomst van het hout door middel van FSC certificering controleert, dat ze bij twijfel ook de inklaring van de goederen bij de leverancier kan opvragen, dat ze op sancties controleert via de sanctiemap van de EU, dat ze geen transacties doet die niet aan goederen gerelateerd zijn, dus dat er ook geen sprake is van witwasmogelijkheden. Over de specifieke transacties waar de bank naar heeft gevraagd, heeft [eiser 1] geschreven dat er geen andere documentatie beschikbaar is dan de aan- en verkoopfacturen die de bank al heeft ontvangen. [eiser 1] sluit de e-mail af met het volgende:

“Bij deze wil ik u nogmaals mijn ongenoegen uiten over de vragen die u stelt, onze interne beleid (die altijd door de jaren heen doorzichtig en aan alle wetgeving voldoet en alle controles ondervindt die wij en de wet voortschrijft) is niet onderhevig aan ondervraging van uit u!”

2.11.

Op 10 juni 2025 heeft [eiser 4] over de herkomst van het door haar verhandelde hout geantwoord, kort gezegd, dat haar huidige voorraad berkenmultiplex is aangekocht binnen de Europese Unie vóór de inwerkingtreding van de sanctiemaatregelen ten aanzien van onder andere hout uit Rusland en Belarus. De vraag naar dat materiaal is volgens [eiser 4] gestagneerd en er zijn geen recente aankopen gedaan. [eiser 4] schrijft in deze brief dat het hout destijds is geleverd door een Europese handelspartner en dat het reguliere intra-EU handel betrof. De relevante import- en oorsprongscertificaten zijn destijds aangemeld bij de Europese douaneautoriteiten en de partij die het hout heeft ingevoerd, aldus [eiser 4]. Zij benadrukt verder dat FSC- of PEFC-certificering binnen de EU niet wettelijk verplicht is voor de invoer of handel in houtproducten, mits wordt voldaan aan de vereisten van de EU-houtverordening (EUTR). De partij multiplex voldeed op het moment van aankoop aan de geldende EU-regelgeving, zo schrijft [eiser 4] in deze brief.

2.12.

Bij brieven van 21 augustus 2025 heeft de bank [eisers] geïnformeerd dat zij de bancaire relatie met haar zal beëindigen per 21 oktober 2025. De bank heeft daarvoor de volgende redenen gegeven:

Voor [eiser 1]:

U heeft weliswaar medewerking verleend aan het klantonderzoek, maar de door u gegeven antwoorden hebben de bank onvoldoende in staat gesteld om de door haar geconstateerde risico’s beheersbaar te maken. Zo acht de bank de door u gegeven verklaringen over de

herkomst en/of bestemming van de financiële middelen onvoldoende plausibel en verifieerbaar.

Doordat er niet kan worden vastgesteld of de goederen daadwerkelijk zijn geleverd en de herkomst van de goederen niet kan worden geverifieerd ontstaat er voor de bank een risico op witwassen, sanctieomzeilingen, schendingen van de EUTR en/of andere illegale praktijken. U heeft tevens verklaard niet voornemens te zijn enig sanctie- of AML-beleid op te stellen. Het gebrek aan informatie en inzicht, waarbij onduidelijkheid bestaat omtrent de herkomst en/of bestemming van de financiële middelen, brengt voor de bank integriteitsrisico’s met zich mee. Hierdoor kan de bank niet aan de op haar rustende wettelijke verplichtingen voldoen. Dit soort risico’s kan en mag de bank niet aanvaarden.

Voor [eiser 4]:

U heeft ondanks deze oproepen ontoereikend gehoor gegeven om de door de bank gevraagde informatie en documentatie binnen de gestelde termijn te doen toekomen. Het gebrek aan informatie en inzicht, waarbij onduidelijkheid bestaat omtrent de herkomst en/of bestemming van de financiële middelen, onduidelijkheid bestaat omtrent de exacte bedrijfsactiviteiten en het voor de bank niet inzichtelijk is wie de exacte eigenaar is en/of wie de zeggenschap heeft, brengt voor de bank integriteitsrisico’s met zich mee. Doordat de bank onvoldoende inzicht heeft in de bedrijfsactiviteiten en de herkomst van de goederen ontstaat er een risico op witwassen, sanctieomzeilingen, schendingen van de EUTR en/of andere illegale praktijken. Hierdoor kan de bank niet aan de op haar rustende wettelijke verplichtingen voldoen. Dit soort risico’s kan en mag de bank niet aanvaarden.

Voor [eiser 5]:

“De holding ontvangt in de holdingstructuur middelen van [eiser 4] B.V. Wegens de beëindiging van de relatie met deze onderneming en de onderlinge relatie en de hoeveelheid transacties tussen deze entiteiten heeft de bank óók op die gronden besloten om de bancaire relatie met de holding te beëindigen. Voor een uitgebreide toelichting van de redenen voor de beëindiging van de bancaire relatie met [eiser 4] B.V. verwijst de bank u graag naar de brief aan [eiser 4] B.V.”

Voor [eiser 2]:

“Uit het klantenonderzoek blijkt dat u uiteindelijk belanghebbende (hierna: UBO) en bestuurder bent van de ondernemingen. Vanwege uw rol als UBO en bestuurder heeft de bank u gevraagd om opheldering te geven. U heeft weliswaar medewerking verleend aan het klantonderzoek, maar de door u gegeven antwoorden hebben de bank onvoldoende in staat gesteld om de door haar geconstateerde risico’s beheersbaar te maken. Zo acht de

bank de door u gegeven verklaringen over de herkomst en/of bestemming van de financiële middelen onvoldoende plausibel en verifieerbaar. Het gebrek aan informatie en inzicht brengt voor de bank integriteitsrisico’s met zich mee. Hierdoor kan de bank niet aan de op haar rustende wettelijke verplichtingen voldoen. Dit soort risico’s kan en mag de bank niet aanvaarden. Vanwege uw rol als UBO en bestuurder van de ondernemingen en de redenen voor beëindiging van de relatie met de ondernemingen rekent de bank u dit ook persoonlijk aan.”

Voor [eiser 3]:

“Uit het klantenonderzoek blijkt dat u uiteindelijk belanghebbende (hierna: UBO) en bestuurder bent van de ondernemingen. Vanwege uw rol als UBO en bestuurder heeft de bank u gevraagd om opheldering te geven. U heeft ondanks deze oproepen onvoldoende gehoor gegeven om de door de bank gevraagde informatie en documentatie binnen de gestelde termijn te doen toekomen. Het gebrek aan informatie en inzicht brengt voor de

bank integriteitsrisico’s met zich mee. Hierdoor kan de bank niet aan de op haar rustende wettelijke verplichtingen voldoen. Dit soort risico’s kan en mag de bank niet aanvaarden. Vanwege uw rol als UBO en bestuurder van de ondernemingen en de redenen voor beëindiging van de relatie met de ondernemingen rekent de bank u dit ook persoonlijk aan.

2.13.

In de brieven aan [eiser 1], [eiser 4] en de heren [eiser 2] is verder aangekondigd dat hun gegevens voor een periode van vijf jaar zullen worden opgenomen op de interne CAAML-lijst van de bank. In de brief aan [eiser 1] is daarnaast aangekondigd dat zij vanaf 4 september 2025 geen betalingen meer kan verrichten, ingaand noch uitgaand, buiten het SEPA-gebied (kort gezegd Europa). Die einddatum is later uitgesteld naar 1 oktober 2025.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen, kort gezegd, de bank te veroordelen de relatie met hen voort te zetten dan wel te herstellen, primair voor onbepaalde tijd en subsidiair totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist. Daarnaast vorderen eisers de bank te verbieden – op straffe van verbeurte van dwangsommen – om de relatie met hen opnieuw op te zeggen op basis van dezelfde feiten en omstandigheden waarop de relatie nu is beëindigd, en om eisers op de CAAML-lijst te plaatsen. Tot slot vorderen zij de bank te veroordelen in de werkelijke proceskosten.

3.2.

De bank voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna ingegaan, voor zover van belang.

4 De beoordeling

4.1.

Banken hebben op grond van de Wwft (Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme) een verantwoordelijkheid bij het signaleren van zogenoemde financieel-economische criminaliteit en andere integriteitsrisico’s. Zij moeten zoveel mogelijk voorkomen dat het financiële systeem voor oneigenlijke doelen wordt gebruikt (en dus misbruikt). Daartoe moeten zij onderzoek doen naar hun cliënten en de verzamelde informatie up-to-date houden. Als een bank haar cliëntenonderzoek niet kan voltooien, moet zij de relatie met die klant beëindigen (artikel 5 lid 3 Wwft). De bank kan dan immers het risico van misbruik van de door haar aangeboden producten en diensten niet overzien. Het is voor de beëindiging van de relatie niet noodzakelijk dat er concrete bewijzen zijn dat de klant betrokken is bij criminele activiteiten.

4.2.

Banken hebben geen formele opsporingsbevoegdheden en zijn voor het cliëntenonderzoek afhankelijk van informatie uit openbare bronnen en informatie van de klant zelf. De klant is verplicht de bank te voorzien van de nodige informatie over – onder meer – zijn activiteiten en de wijze waarop hij aan het geld is gekomen dat hij bij de bank onderbrengt (artikelen 2 lid 2, 3 en 7 van de Algemene Bankvoorwaarden).

4.3.

De bank heeft al vrij snel besloten tot opzegging van de relaties met eisers. Zij heeft toegelicht dat zij geen opening zag voor verdere vragen, gezien de reacties die zij ontving, met name die van [eiser 2]. Hij heeft op zijn beurt toegelicht dat zijn bloed kookte van woede over de vragen van de bank. Om zijn integriteit aan te tonen, heeft hij, onder het tonen van dat document, erop gewezen dat hij jarenlang een vergunning heeft gehad voor het verlenen van trustdiensten, na een zeer grondige screening door De Nederlandsche Bank. Dat mag zo zijn, maar met zijn afsluitende opmerking in zijn e-mail van 13 mei 2025 (zie onder 2.10) miskent [eiser 2] dat de bank op grond van de Wwft verplicht is tot het uitvoeren van onderzoek naar haar klanten, en dat hij die vragen op grond van zijn zorgplicht jegens de bank ook moet beantwoorden.

4.4.

[eiser 2] heeft op de zitting toegelicht dat hij sinds 2007 actief is in de houthandel. Voordat de sancties aan Rusland werden opgelegd, bedroeg de omzet van [eiser 1] tussen de € 10 miljoen en € 15 miljoen per jaar. Zij betrok toen 95% van haar hout uit Rusland. Sinds de sancties van kracht zijn, haalt [eiser 1] haar hout in China, Ecuador, Brazilië en Gabon. Haar omzet is gedaald tot onder de € 1 miljoen. Het afgelopen jaar heeft [eiser 1] vijf transacties gedaan. Dat gaat in de praktijk als volgt. [eiser 2] kent veel mensen in de houthandel, voornamelijk in de Benelux, maar ook een aantal in Duitsland en Polen. Zij vertellen hem welk hout ze nodig hebben. Hij zoekt dan naar een leverancier, koopt het hout daar in, verkoopt het aan zijn klant en regelt het transport. Meestal klaart de klant de goederen in, maar soms doet [eiser 1] dat, dat is per klant verschillend. Er worden geen schriftelijke contracten opgesteld omdat de bestellingen ad hoc worden gedaan. Er zijn alleen inkoop- en verkoopfacturen. Bij de vijf transacties waar de bank naar heeft gevraagd, heeft [eiser 1] de inklaring niet zelf gedaan, zodat zij daar ook geen documentatie van kan overleggen. De reden dat [eiser 1] geen beleid op schrift heeft staan, is dat [eiser 2] binnen [eiser 1] de enige medewerker is. Hij weet welke controles nodig zijn en voert die ook uit. Voorafgaand aan elke transactie controleert hij bij FSC of het certificaat van het hout dat hij wil kopen, geldig is.

4.5.

Op de zitting heeft [eiser 1] (nogmaals) aangeboden om bij haar klanten in de vijf transacties waarop het onderzoek gericht is geweest, de documentatie over de inklaring op te vragen. Zij heeft er daarbij wel op gewezen dat zij afhankelijk is van de medewerking van haar klanten. Ook moeten er nog gegevens beschikbaar zijn over het transport van de ladingen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moeten deze mogelijkheden eerst nog verder worden onderzocht voordat artikel 5 lid 3 Wwft in beeld komt. Bij dat oordeel speelt mee dat [eiser 1] eerdere KYC-onderzoeken van de bank goed heeft doorstaan en dat de indruk bestaat dat de onderneming kleiner is dan de bank voor ogen had. Zo is, althans in ieder geval voor de voorzieningenrechter, onduidelijk in hoeverre de verplichting van het vastleggen van beleid ook geldt voor een onderneming die door één persoon wordt gedreven. [eiser 1] (lees: [eiser 2]) zal zich bij de uitvoering van dit aanvullende onderzoek coöperatief moeten opstellen. De primaire vordering zal dan ook worden toegewezen. Voor de volledigheid wordt hier nog opgemerkt dat het ook de bedoeling is dat de blokkade die nu voor [eiser 1] geldt voor betalingen buiten het SEPA-gebied, ongedaan wordt gemaakt.

4.6.

Omdat de voornaamste reden voor beëindiging van de relaties met de overige eisers lijkt te zijn gelegen in de banden met [eiser 1] Beheer, zal de primaire vordering ook jegens hen worden toegewezen.

4.7.

Deze beslissing laat onverlet dat de bank de relaties met eisers opnieuw kan beëindigen als tijdens dit of een volgend KYC-onderzoek aanvullende informatie boven tafel komt die dat rechtvaardigt of als het onderzoek wordt gefrustreerd.

4.8.

Het is te vroeg om de bank te verbieden de relaties met eisers te beëindigen op grond van dezelfde feiten, omdat het KYC onderzoek nog niet is afgerond, zoals hiervoor is overwogen. Een verbod om dat te doen, is daarom niet toewijsbaar. Een dwangsom is evenmin nodig, nu de bank heeft toegezegd dat zij het vonnis zal naleven. De daarop gerichte vorderingen zullen worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor de vordering om bewijs te leveren over hun status op de CAAML-lijst. Een bewijs dat zij daar niet op staan, is niet te leveren. Daarbij komt dat er geen reden is om aan te nemen dat de bank niet aan het gebod tot verwijdering van de gegevens van eisers zal voldoen, mochten die gegevens al op de CAAML-lijst staan.

4.9.

De bank is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Voor een veroordeling in de volledige proceskosten bestaat evenwel geen grond nu geen sprake is van misbruik van procesrecht of het op anderszins onrechtmatige wijze voeren van verweer tegen de vorderingen van eisers. De proceskosten van [eisers] worden conform het toepasselijke liquidatietarief begroot op:

- kosten van de dagvaarding€119,40
- griffierecht€714,00
- salaris advocaat€1.107,00
- nakosten€178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€2.118,40
4.10.

De wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt de bank om de relatie met [eiser 1], [eiser 4], [eiser 5], [eiser 2] en [eiser 3] voort te zetten, althans binnen één werkdag na betekening van dit vonnis te herstellen, zodat zij weer in de positie komen te verkeren waarin zij zich bevonden voordat de relaties werden opgezegd,

5.2.

verbiedt de bank om [eiser 1], [eiser 4], [eiser 5], [eiser 2] en [eiser 3] op grond van de feiten die nu ten grondslag zijn gelegd aan de beëindiging van de relaties op de CAAML-lijst te plaatsen, en gebiedt de bank hen van de CAAML-lijst te verwijderen indien zijn daar al op staan,

5.3.

veroordeelt de bank in de proceskosten van € 2.118,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de bank niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na vonnisdatum tot aan de dag van volledige betaling,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E. van Bennekom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2025.

Coll: MV

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.