Uitspraak · Burgerlijk procesrecht
Rechtbank Amsterdam, 31 december 2025
ECLI:NL:RBAMS:2025:11147Zaaknummer C/13/777363 / HA ZA 25-1609
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 31 december 2025
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/13/777363 / HA ZA 25-1609
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Burgerlijk procesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Tussenuitspraak
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Incident. Inzagevorderingex artikel 195 Rv. In dit geval geen noodzaak om hier eerst en vooraf op te beslissen.
De rechtbank
in het incident
houdt iedere verdere beslissing aan,
in de hoofdzaak
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 11 februari 2026 voor conclusie van antwoord,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T. Kruis, rechter, bijgestaan door mr. R. Hafith en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/777363 / HA ZA 25-1609
Vonnis in incident van 31 december 2025
in de zaak van
1 [eiser 1], 2. [eiser 2] B.V.,
beiden te [plaats],
eisende partijen in de hoofdzaak en het incident,
hierna samen te noemen: [eisers] (afzonderlijk: [eiser 1] en [eiser 2] ),
advocaat: mr. D.H.S. Donk,
tegen
1 [gedaagde 1],
te [woonplaats 1],
advocaat: mr. A. Das Gupta,2. [gedaagde 2] B.V.,
te [vestigingsplaats],
advocaat: mr. A. Das Gupta,3. [gedaagde 3],
te [woonplaats 2] (Frankrijk),
advocaat: mr. M.R. Lauxtermann,4. [gedaagde 4],
te [woonplaats 3],
advocaat: mr. M.R. Lauxtermann,5. [gedaagde 5] B.V.,
te [vestigingsplaats],
advocaat: mr. M.R. Lauxtermann,6. [gedaagde 6],
te [vestigingsplaats],
advocaat: mr. A. Das Gupta,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
gedaagde onder 6 tevens gedaagde partij in het incident,
hierna samen te noemen: [gedaagden] (afzonderlijk: [gedaagde 1], [gedaagde 2] BV, [gedaagde 3], [gedaagde 4], [gedaagde 5], [gedaagde 6] ).
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de (gelijkluidende) dagvaardingen van 7, 8 en 9 oktober 2025 met daarin ook een (uitsluitend tegen [gedaagde 6] gericht) incidenteel verzoek ex artikel 195 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv),
- de akte overlegging producties van [eisers],
- de conclusie van antwoord in het incident met producties van [gedaagde 6].
Ten slotte is vonnis in het incident bepaald.
2 De feiten, voor zover relevant in het incident
[eiser 1] is een Nederlandse artiest en auteur, bekend onder de artiestennaam [artiestennaam]. De activiteiten van [eiser 1] lopen via zijn onderneming [eiser 2].
[gedaagde 1] is in de periode van 2013 tot februari 2023 de manager van [eisers] geweest via [gedaagde 1] ’ onderneming [gedaagde 2] BV. [eisers] en [gedaagde 2] BV hebben daarvoor een managementovereenkomst gesloten (hierna: de managementovereenkomst).
[gedaagde 3] is in dezelfde periode de advocaat van [eisers] geweest.
[gedaagde 6] is een stichting die de gelden van artiesten onder contract van [gedaagde 2] BV ontvangt en verdeelt.
Op 1 oktober 2021 is [eisers] een exclusieve verkoop- en distributieovereenkomst met Sony Music Entertainment Netherlands B.V. (hierna: Sony Music) aangegaan (hierna: de Overeenkomst). Sony Music heeft op grond van de Overeenkomst € 1,21 miljoen inclusief btw betaald aan [gedaagde 6]. [gedaagde 6] heeft op haar beurt een deel van dat bedrag betaald aan [eisers]
3 De vordering in de hoofdzaak
[eisers] vordert, samengevat, dat de rechtbank [gedaagden] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis hoofdelijk veroordeelt om te betalen aan [eisers]: € 377.276,86 plus rente en proceskosten.
[eisers] stelt dat [gedaagde 6] te weinig aan [eisers] heeft uitbetaald van de € 1,21 miljoen bruto die [gedaagde 6] ten behoeve van [eisers] had ontvangen van Sony Music. [eisers] legt dit als volgt uit. [gedaagde 6] heeft € 621.000 (inclusief btw) aan [eisers] uitbetaald. Een bedrag van € 589.000 (inclusief btw) is dus niet aan [eisers] betaald. Hierop strekt nog in mindering een door [eisers] verschuldigde managementvergoeding die voorlopig is begroot op € 132.495 (inclusief btw). Per saldo heeft [gedaagde 6] daarom een bedrag van € 465.505 inclusief btw – wat neerkomt op € 377.276,86 exclusief btw – ten onrechte niet aan [eisers] uitbetaald. [gedaagde 1], [gedaagde 3], [gedaagde 2] BV en [gedaagde 6] hebben daarmee in strijd gehandeld met hun verplichtingen. [gedaagden] zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schade.
4 Het verzoek en het verweer in het incident
[eisers] verzoekt, samengevat, dat de rechtbank [gedaagde 6] beveelt om de volgende stukken over de periode 16 januari 2015 tot 1 december 2022 te verstrekken aan [eisers]:
- alle bankafschriften van [gedaagde 6] waarop de opbrengsten staan die [gedaagde 6] voor [eisers] heeft ontvangen;
- alle facturen van opbrengsten die [gedaagde 6] voor [eisers] heeft ontvangen of verband houden met dan wel voortvloeien uit de relatie met [eisers] en/of de exploitatie van zijn activiteiten; en
- alle bankafschriften van [gedaagde 6] waarop betalingen staan die [gedaagde 6] heeft verricht rond gelden die [gedaagde 6] voor [eisers] heeft ontvangen.
[eisers] wil dat [gedaagde 6] rekening en verantwoording aflegt over de periode dat [eisers] met [gedaagde 1] en [gedaagde 3] heeft samengewerkt, omdat hij stelt dat hij alleen dan in de hoofdzaak kan vaststellen hoe hoog zijn schade is. [eisers] stelt dat de gelden die hij heeft verdiend gedurende hun samenwerking steeds rechtstreeks zijn betaald aan [gedaagde 6], zonder dat hij daar zicht op heeft (gehad), en dat het daardoor voor hem onduidelijk is op welke wijze die gelden zijn verdeeld. Zo is volgens [eisers] onduidelijk wanneer Sony Music het bedrag van € 1,21 miljoen heeft overgeboekt naar [gedaagde 6], welke opbrengsten door [gedaagde 6] zijn geïncasseerd ten behoeve van [eisers], aan welke (rechts)personen [gedaagde 6] (delen van) deze gelden heeft doorbetaald en wat er bijvoorbeeld is gebeurd met het resterende deel van het bedrag van € 1,21 miljoen dat niet aan [eisers] is uitgekeerd. Volgens [eisers] speelt ook mee dat hij achteraf erachter is gekomen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] samen een andere samenwerking zijn aangegaan en op die wijze tegenstrijdige belangen hebben gehad, die zij hebben laten prevaleren boven de zijne.
[gedaagde 6] voert verweer. Zij betoogt, samengevat, het volgende. De in de dagvaarding gemaakte verwijten zijn suggestief en ongefundeerd. Er is sprake van een fishing expedition. [eisers] heeft onvoldoende belang bij de inzagevordering. Over wat er is gebeurd met het bedrag dat van Sony Music is ontvangen, is [gedaagde 6] open geweest. Aan [eisers] is € 665.500 betaald. Het resterende bedrag is aan [gedaagde 2] BV overgemaakt vanwege de aan [gedaagde 2] BV toekomende fee. In de hoofdzaak gaat het in de kern op welke fee [gedaagde 2] BV recht heeft. De in het incident gevorderde documenten zijn voor het debat in de hoofdzaak niet van toegevoegde waarde. Aan verzoeken van [eisers] om inzage in de administratie van [gedaagde 2] BV is steeds voldaan en [eisers] had volledige inzage in alle geldstromen. Daarnaast is de vordering onvoldoende bepaald, omdat geen concreet omschreven stukken zijn opgevraagd. Ook is de verwijzing door [eisers] naar een andere aanhangige bodemprocedure (de Hitmen-zaak) niet relevant voor de onderhavige zaak.
5 De beoordeling in het incident
De hoofdzaak is aanhangig gemaakt na 1 januari 2025, zodat het nieuwe bewijsrecht van toepassing is, waaronder de nieuwe artikelen 194 en 195 Rv.
[eisers] baseert zijn incidentele verzoek op artikel 195 Rv. Die bepaling heeft betrekking op een verzoek om inzage tijdens een lopende procedure. De rechter kan naar aanleiding van een verzoek van de partij die daar ingevolge artikel 194 lid 1, eerste volzin, Rv recht op heeft, de wederpartij bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt.
Op grond van artikel 209 Rv wordt op incidentele vorderingen, indien de zaak dat meebrengt, eerst en vooraf beslist. Dat betekent dat [eisers] niet zonder meer aanspraak heeft op een beoordeling van zijn incidentele inzageverzoek voorafgaand aan de hoofdzaak. Aan de hand van de aard en de inhoud van het incidentele verzoek, de belangen van partijen en het belang van een doelmatige procesvoering moet worden nagegaan of voorafgaande behandeling en beslissing redelijkerwijs geboden zijn.
De rechtbank is van oordeel dat voorafgaande beslissing op het inzageverzoek niet geboden is. Daartoe is van belang dat het inzageverzoek van [eisers] breder is geformuleerd dan de informatie die hij zegt nodig te hebben voor de onderbouwing van de hoogte van zijn schade in de hoofdzaak. Het inzageverzoek strekt in feite tot rekening en verantwoording over een groot aantal jaren, terwijl de vordering in de hoofdzaak is beperkt tot een deel van het bedrag dat [gedaagde 6] in 2021 heeft ontvangen van Sony Music. Welk bedrag Sony Music aan [gedaagde 6] heeft overgemaakt, is niet in geschil. Voor de hoofdzaak lijkt vooral van belang te zijn op welke managementvergoeding [gedaagde 2] BV recht heeft in relatie tot de door Sony Music betaalde vergoeding. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat daarvoor inzage in de gevraagde gegevens nodig is. Weliswaar bestaat ook geschil over welk deel van de € 1,21 miljoen aan [eisers] is uitbetaald (volgens [eisers] € 621.000 en volgens [gedaagde 6] € 665.500), maar gelet op de door [gedaagde 6] bij haar conclusie van antwoord in het incident overgelegde bankafschriften kan het debat hierover in de hoofdzaak vooralsnog verder worden gevoerd zonder dat nu al op dit deel van het inzageverzoek wordt beslist.
Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden ziet de rechtbank geen reden om eerst en vooraf op het incidentele inzageverzoek te beslissen. Dat verzoek zal dus verder gelijktijdig met de hoofdzaak worden behandeld. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing in het incident aan.
6 De beslissing
De rechtbank
in het incident
houdt iedere verdere beslissing aan,
in de hoofdzaak
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 11 februari 2026 voor conclusie van antwoord,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T. Kruis, rechter, bijgestaan door mr. R. Hafith en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.