Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Amsterdam, 29 november 2023

ECLI:NL:RBAMS:2023:7660Zaaknummer C/13/741858 / KG ZA 23-974

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29 november 2023
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
C/13/741858 / KG ZA 23-974
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Kort geding. Zus wordt veroordeeld om haar broer toegang te verschaffen tot de woning van moeder.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser], wanneer en zo vaak als hij dat wenst, telkens op eerste verzoek, dat hij uiterlijk 24 uur voorafgaand per Whatsapp aan haar kenbaar zal maken en welk verzoek zij vervolgens binnen 22 uur na verzending daarvan aan [eiser] per Whatsapp zal dienen te bevestigen, op het in dat verzoek aangegeven tijdstip toegang te geven tot de woning van moeder te [woonplaats] aan de [adres 1], waarna [gedaagde] de woning van moeder zal verlaten zodat [eiser] met zijn moeder alleen kan zijn, op straffe van een dwangsom van € 50,00 voor iedere keer dat zij niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum is bereikt van € 2.500,00,

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2023.[_37931d6f-a24f-415d-a136-789c80bac937]

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/741858 / KG ZA 23-974 EAM/MvG

Vonnis in kort geding van 29 november 2023 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser bij dagvaarding van 13 november 2023,

advocaat mr. B.R. Capaan te Amsterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. A.J. van Ommeren te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Tijdens de mondelinge behandeling op 22 november 2023 heeft [eiser] de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en [eiser] tevens een pleitnotitie. Aanvankelijk was vonnis bepaald op 6 december 2023. Aan de advocaten van partijen is op 29 november 2023 meegedeeld dat die dag bij vervroeging vonnis zal worden gewezen.

1.2.

Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:

- [eiser] met zijn echtgenote en mr. Capaan;

- [gedaagde] met mr. Van Ommeren.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en [gedaagde] (63 jaar oud) zijn broer en zus. Hun moeder is [naam 1], 81 jaar oud (hierna: moeder). Moeder woont in [woonplaats] aan de [adres 1]. [gedaagde] woont naast moeder aan de [adres 2]. [eiser] en [gedaagde] hebben nog een broer ( [naam 2], 58 jaar oud) en een zus ( [naam 3], 60 jaar oud). De vader van partijen is op [overlijdensdatum] 2022 overleden.

2.2.

Op 15 juli 2023 was [eiser] op bezoek bij moeder. [gedaagde] was daar ook bij aanwezig. Die dag is er een incident geweest tussen [eiser] en [gedaagde]. [gedaagde] heeft aangifte gedaan van eenvoudige mishandeling, gepleegd door [eiser].

2.3.

Sindsdien heeft [eiser] geen contact meer gehad met moeder.

2.4.

Bij beschikking van 4 oktober 2023 zijn, op verzoek van [gedaagde], de goederen van moeder onder bewind gesteld, wegens haar lichamelijke/geestelijke toestand. [gedaagde] is tot bewindvoerder benoemd.

2.5.

[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling -op 22 november 2023- verklaard dat twee weken geleden bij moeder de diagnose dementie is vastgesteld. Verder heeft zij verklaard dat zij zeven dagen per week voor moeder zorgt en bijna de hele dag bij moeder in huis is.

2.6.

[gedaagde] heeft handgeschreven verklaringen van [naam 2] en [naam 3] van 14 november 2023 respectievelijk 17 november 2023 in het geding gebracht. Zij schrijven daarin dat moeder heeft gezegd [eiser] niet meer te willen zien.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - [gedaagde] te veroordelen:

  • primair: om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis aan hem zodanig sleutels van de woning van moeder ter beschikking te stellen dat hij, onafhankelijk van [gedaagde], volledig zelfstandig toegang zal hebben tot de woning van moeder, op straffe van een dwangsom;
  • subsidiair: om aan hem, wanneer en zo vaak als hij dat wenst, telkens op eerste verzoek, dat hij uiterlijk 24 uur voorafgaand per Whatsapp aan [gedaagde] kenbaar zal maken en welk verzoek zij vervolgens binnen 22 uur na verzending daarvan aan [eiser] per Whatsapp zal dienen te bevestigen, op het in dat verzoek aangegeven tijdstip toegang zal geven tot de woning van moeder, waarna zij de woning van moeder zal verlaten, zodat [eiser] met moeder alleen kan zijn, op straffe van een dwangsom;
  • primair en subsidiair: in de proceskosten.
3.2.

[eiser] stelt daartoe het volgende. Hij bezocht moeder eens in de twee weken. Omdat moeder de benedendeur niet zelf meer open kan doen en [gedaagde] naast moeder woont, moest hij altijd een afspraak met [gedaagde] maken om op bezoek bij moeder te kunnen. [gedaagde] deed dan de deur open en liet [eiser] bij moeder naar binnen. Zij bleef er altijd bij zitten. De laatste keer dat hij alleen met moeder is geweest, was in maart 2022 toen vader in het ziekenhuis was opgenomen. Op 15 juli 2023 is er een incident geweest tussen [eiser] en [gedaagde], maar hij heeft haar niet mishandeld. [eiser] is twee keer gebeld door de politie. In het tweede gesprek heeft de politie tegen hem gezegd dat [gedaagde] is geadviseerd de aangifte in te trekken. Daarna heeft [eiser] niets meer gehoord van de politie. De verklaringen van [naam 2] en [naam 3] zijn qua tekst en inhoud nagenoeg indentiek, alsof ze door [gedaagde] zijn gedicteerd. [naam 2] en [naam 3] zijn bang dat als zij geen gehoor geven aan verzoeken van [gedaagde], zij moeder ook niet meer mogen zien. [naam 2] heeft de verklaring niet zelf geschreven. Hij heeft namelijk een ander handschrift. Als de handschriften in de verklaringen worden vergeleken, lijken die heel erg hetzelfde. Het is dus maar de vraag wie die verklaringen heeft geschreven. Hij kan zich niet voorstellen dat moeder hem niet wil zien. Als dat al zo zou zijn, dan wil hij dat van moeder zelf horen. [gedaagde] kan en mag niet vanwege een langlopende persoonlijke vete met [eiser] hem het contact met moeder ontzeggen, dat is onrechtmatig. [eiser] heeft een spoedeisend belang bij zijn vordering. De gezondheid van moeder is broos en door de dementie bij moeder nemen de heldere momenten en de mogelijkheden tot een zinvol contact met haar per dag af.

3.3.

[gedaagde] heeft als volgt verweer gevoerd. De vorderingen van [eiser] ontberen een grondslag. Een vordering zonder grondslag moet worden afgewezen. In de wet staat dat ouders en minderjarige kinderen recht hebben op contact met elkaar. Over omgang tussen ouders en meerderjarige kinderen staat niks in de wet. Moeder krijgt het doodsbenauwd van [eiser]. Zij denkt dat hij haar in een bejaardentehuis wil stoppen. Moeder was getuige van de mishandeling van [gedaagde] door [eiser] op 15 juli 2023. Sindsdien is ze bang voor [eiser] en wil ze hem niet meer zien. Dit staat ook in de verklaringen van [naam 2] en [naam 3]. In het belang van moeder is afgesproken dat er maar één kind per weekend op bezoek bij haar gaat. Anders wordt het te druk voor moeder. [eiser] denkt dat hij zelf maar kan bepalen wanneer hij naar moeder gaat. Dat kan niet.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] heeft een spoedeisend belang bij zijn vordering. Gelet op de gezondheidstoestand van moeder kan van hem niet worden gevergd een bodemprocedure af te wachten.

4.2.

Een vordering is in kort geding toewijsbaar als voldoende aannemelijk is dat die vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen en als niet van de eisende partij kan worden gevergd dat die de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.

4.3.

[gedaagde] heeft niet betwist dat het voor 15 juli 2023 bestaande praktijk was dat [eiser] om de week op bezoek ging bij moeder en dat hij zijn bezoek vooraf bij [gedaagde] aankondigde, zodat zij voor hem de deur kon opendoen.

4.4.

Op 15 juli 2023 is er een incident geweest tussen [eiser] en [gedaagde]. Partijen verschillen van mening over wat er die dag is gebeurd. Vooralsnog heeft de politie geen reden gezien om tot vervolging van [eiser] over te gaan, en volgens [eiser] heeft de politie [gedaagde] zelfs aangeraden om de aangifte in te trekken.

4.5.

Moeder is op 4 oktober 2023 onder bewind gesteld, wegens haar lichamelijke/geestelijke toestand en recent is bij haar de diagnose dementie vastgesteld. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd verklaard dat moeder niet meer helder is, het moeilijk is met moeder een gesprek te voeren en dat moeder veel zorg nodig heeft. Gelet op deze toestand van moeder kan niet zonder meer worden aangenomen dat moeder [eiser] niet meer zou willen zien.

4.6.

Er kunnen vraagtekens worden gesteld bij de echtheid van de verklaringen van [naam 2] en [naam 3], omdat de inhoud van de verklaringen en ook het handschrift erg op elkaar lijken. Aangenomen dat de verklaringen echt zijn, dan staat vast dat de verklaringen dateren van nadat bij moeder de diagnose dementie is vastgesteld, zodat om die reden kan worden betwijfeld of moeder voldoende in staat was haar wil te uiten.

4.7.

[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling een recent geluidsfragment laten horen waarop zij aan moeder vraagt of zij [eiser] wil zien en te horen is dat moeder “nee” antwoordt. Ook hiervoor geldt dat het fragment is opgenomen nadat bij moeder de diagnose dementie is vastgesteld. Bovendien valt bepaald niet uit te sluiten dat moeder hier door [gedaagde] wordt gestuurd, wegens de onmin met [eiser].

4.8.

Aannemelijk is dat [gedaagde] zonder goede reden de omgang tussen moeder en [eiser] onmogelijk maakt door hem geen toegang te geven tot de woning van moeder. Dat is onrechtmatig jegens [eiser].

4.9.

De primaire vordering zal echter worden afgewezen. Het toewijzen van deze vordering zal tot problemen leiden als [eiser] onaangekondigd bij moeder op bezoek kan gaan, terwijl [gedaagde] zeer waarschijnlijk op dat moment bij moeder is, omdat zij zeven dagen per week voor moeder zorgt.

4.10.

De subsidiaire vordering zal wel worden toegewezen. Deze vordering sluit aan bij de praktijk zoals deze was voor 15 juli 2023, zij het dat [gedaagde] de woning van moeder tijdelijk moet verlaten als [eiser] zijn moeder komt bezoeken, zodat hij ook alleen omgang kan hebben met moeder. Weliswaar wordt de vordering toegewezen, zoals gevorderd, maar [eiser] mag hier geen misbruik van maken door opeens elke dag langs te willen bij moeder. Aan de andere kant hoeft de omgang tussen [eiser] en moeder ook niet beperkt te worden tot eens in de twee weken. Ervan uitgegaan wordt dat het bezoek van [eiser] aan moeder qua frequentie en duur aansluit bij hoe dat ging voor 15 juli 2023. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd.

4.11.

In de familieband die bestaat tussen [eiser] en [gedaagde] wordt aanleiding gezien om, net als in ‘standaard’ familiezaken, de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser], wanneer en zo vaak als hij dat wenst, telkens op eerste verzoek, dat hij uiterlijk 24 uur voorafgaand per Whatsapp aan haar kenbaar zal maken en welk verzoek zij vervolgens binnen 22 uur na verzending daarvan aan [eiser] per Whatsapp zal dienen te bevestigen, op het in dat verzoek aangegeven tijdstip toegang te geven tot de woning van moeder te [woonplaats] aan de [adres 1], waarna [gedaagde] de woning van moeder zal verlaten zodat [eiser] met zijn moeder alleen kan zijn, op straffe van een dwangsom van € 50,00 voor iedere keer dat zij niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum is bereikt van € 2.500,00,

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2023.[_37931d6f-a24f-415d-a136-789c80bac937]

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.