Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Amsterdam, 21 juli 2023

ECLI:NL:RBAMS:2023:6192Zaaknummer C/13/735240 / KG ZA 23-511

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21 juli 2023
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
C/13/735240 / KG ZA 23-511
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Kort geding. De vrouw wordt veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling op straffe van een dwangsom.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1.

veroordeelt de vrouw tot nakoming van de zorgregeling zoals vastgelegd in de beschikking van 16 maart 2023 van deze rechtbank, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 5.7 en 5.8 is overwogen,

6.2.

veroordeelt de vrouw om, na betekening van dit vonnis, aan de man een dwangsom te betalen van € 250,00 per keer dat zij niet aan de onder 6.1 uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt,

6.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

6.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

6.6.

weigert de gevraagde voorziening,

6.7.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2023.

Bij afwezigheid van mr. Dudok van Heel is dit vonnis ondertekend door mr. H.C. Hoogeveen, voorzieningenrechter, die het vonnis uitsprak.[_534a4f37-952f-4b1c-98cf-ca39b83ed9d9]

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil in conventie
  4. 4 Het geschil in reconventie
  5. 5 De beoordeling in conventie en in reconventie
  6. 6 De beslissing

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/735240 / KG ZA 23-511 MDvH/MvG

Vonnis in kort geding van 21 juli 2023

in de zaak van

[eiser],

woonplaats kiezende te [woonplaats 1],

eiser in conventie bij dagvaarding van 23 juni 2023,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. P.M.J. Wetzels te Den Bosch,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. L.C. Fuijkschot te Alkmaar.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 10 juli 2023 heeft de man de vordering zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. De vrouw heeft verweer gevoerd mede aan de hand van een tevoren ingediend schriftelijk verweer en tevens een tegenvordering ingesteld. De man heeft de tegenvordering bestreden. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht. Vonnis is bepaald op heden.

1.2.

Bij de mondelinge behandeling waren partijen en hun advocaten aanwezig. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) was [naam] aanwezig.

1.3.

Ter zitting is besproken dat de advocaat van de man daags na de mondelinge behandeling zou laten weten of het de man is gelukt is om bij Jeugdbescherming een afspraak te maken. Bij e-mail van 12 juli 2023 heeft de advocaat bericht dat de man op 13 juli 2023 een afspraak heeft bij Jeugdbescherming.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn getrouwd geweest en zijn de ouders van [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2019. Partijen hebben het gezamenlijk gezag over [minderjarige]. Tijdens hun relatie hebben partijen in [plaats 1] gewoond.

2.2.

Sinds het uiteengaan van partijen – medio september 2019 – heeft [minderjarige] zijn hoofdverblijf bij de vrouw.

2.3.

Partijen hebben in november 2020 afspraken gemaakt over een co-ouderschapregeling. Het gerechtshof Amsterdam heeft op 1 juli 2021 een zorgregeling vastgesteld, zoals door partijen vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, te weten in de vorm van co-ouderschap. In de vaststellingsovereenkomst hebben partijen afgesproken dat de co-ouderschapsregeling geldig blijft totdat [minderjarige] naar de basisschool gaat en partijen niet in dezelfde regio wonen.

2.4.

De man woont sinds eind 2022/begin 2023 in [plaats 2]. De vrouw woont thans in [plaats 3].

2.5.

In februari 2023 heeft de vrouw een verzoekschrift ingediend bij deze rechtbank met het verzoek om het co-ouderschap te beëindigen en een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] om het weekend van vrijdag na school tot zondag 17.00 uur bij de man verblijft en de vakanties bij helfte worden verdeeld. De vrouw voerde daartoe aan dat co-ouderschap niet langer haalbaar was, omdat [minderjarige] vanaf maart 2023 naar de basisschool in [plaats 3] zal gaan en partijen niet in dezelfde regio wonen. De man heeft in die procedure verzocht te bepalen dat [minderjarige] elk weekend bij hem verblijft.

2.6.

In een e-mail van 27 februari 2023 van een maatschappelijk werker van Ons Welzijn staat, voor zover van belang, het volgende:

“(…)

Ik heb meneer leren kennen als een afspraken trouwe cliënt, die mij nauwkeurig op de hoogte hield van alle ontwikkelingen inzake de omgang met zijn ex en zijn zoontje [minderjarige].

De face-to-face contacten vonden plaats middels een huisbezoek. Ook heb ik zijn zoontje bij hem thuis gezien en gezien hoe de omgang tussen vader en zoon verloopt.

De contacten die ik met meneer heb gehad verliepen altijd prima, er is nooit sprake geweest van intimidatie of agressief gedrag.

Meneer heeft goede normen en waarden van waaruit hij handelt als betrokken vader, en ook opvoedkundig heb ik gezien dat hij duidelijke opvoedkundige regels stelt naar zijn zoon toe.

(…)

[minderjarige] maakt een vrolijke indruk rondom vader en hangt erg aan hem, zoals een kind bij vader doet. Ik maak mij geen zorgen over het verblijf bij vader en zijn opvoedkundige vaardigheden.

(…).”

2.7.

Bij beschikking van 16 maart 2023 (hierna: de beschikking) heeft deze rechtbank de zorgregeling gewijzigd. De rechtbank heeft bepaald dat de man [minderjarige] ieder weekend van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur bij zich heeft, waarbij de man [minderjarige] zal ophalen en op zondag het overdrachtsmoment zal plaatsvinden op de parkeerplaats van de [eetgelegenheid] in [plaats 4]. Verder heeft de rechtbank bepaald dat [minderjarige] één weekend per zes weken bij de vrouw zal verblijven. Ten aanzien van de vakanties heeft de rechtbank bepaald dat die bij helfte worden verdeeld, waarbij [minderjarige] in de zomervakantie van de oneven jaren de eerste drie weken bij de man en de laatste drie weken bij de vrouw zal verblijven.

2.8.

De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking.

2.9.

Op 6 april 2023 heeft [minderjarige] aan een leerkracht verteld dat de man hem heeft geslagen. Tijdens een gesprek op 7 april 2023 tussen de vrouw en een leerkracht van [minderjarige] heeft [minderjarige] weer gemeld dat de man hem heeft geslagen.

2.10.

Aanvankelijk heeft de vader van de man – de opa van [minderjarige] (hierna: opa) – geholpen bij de overdracht van [minderjarige] op de zondag. De man bracht [minderjarige] naar opa, die [minderjarige] vervolgens naar de vrouw bracht. Op enig moment is de hulp van opa bij de overdracht van [minderjarige] gestopt, volgens de vrouw omdat de man opa zou hebben bedreigd. De man heeft meerdere verklaringen in het geding gebracht van opa waarin staat dat hij niet door de man is bedreigd en bereid is te helpen bij de overdracht van [minderjarige] op de zondag.

2.11.

Het weekend van 19 tot en met 21 mei 2023 hebben de man en [minderjarige] voor het laatst omgang gehad.

2.12.

De vrouw heeft op 21 mei 2023 aangifte gedaan van bedreiging met de dood, gepleegd door de man. In de aangifte staat dat de man haar en haar nieuwe partner tijdens de overdracht in [plaats 4] stond op te wachten met een aantal vrienden en familieleden. Verder staat in de aangifte dat de man het handgebaar heeft gemaakt dat hij haar keel zou doorsnijden en de man tegen de vrouw heeft gezegd dat hij haar zou vermoorden.

2.13.

In een rapportage van 21 juni 2023 van Veilig Thuis staat, voor zover van belang, het volgende:

“4-5-2023

Melding huisarts

Ouders bedreigen elkaar via de mail. Door de rechter bepaalde omgangsregels worden niet nageleefd. Zoon [minderjarige] raakt hierdoor in de war. (…).

[minderjarige] gaat steeds agressiever/onhandelbaarder gedrag vertonen. Dit lokt fysiek geweld uit bij de verzorgers. De psychische ontwikkeling van het kind is ernstig verstoord. Ik verwacht grote problemen met hechting en binding en ernstige karakterstoornis indien er niet ingegrepen wordt.

(…)

(…) een collega arts heeft moeder en kind op het spreekuur gehad. Tijdens dit consult schopte [minderjarige] de dokter, ging zich uitkleden en op de grond liggen. Moeder trok [minderjarige] hardhandig aan zijn been. Hiervan schrok de collega. Ik krijg de indruk dat moeder niet adequaat op het agressieve gedrag van [minderjarige] kan reageren, daar zelf met agressie op reageert.

Daar ouders totaal niet met elkaar overweg kunnen en niet in staat zijn om afspraken te maken en na te komen met betrekking tot omgangsregels zit [minderjarige] in de knel en wordt zijn gedrag steeds agressiever. Hiervoor moet een oplossing van buiten af worden gevonden. Ik verwacht van Veilig Thuis dat zij gaan beoordelen of het nog verantwoord is dat deze ouders gezaghebbend zijn.

(…)

4-5-2023

Melding POH GGZ Jeugd

(…)

[minderjarige] is ontregeld, zorgen over zijn gedrag, loopt vast thuis en op school. Bijt, krabt, slaat (ook tijdens consult bij mij). (…) Verder: zorgen over psychische ontwikkeling. Moeder lijkt zorg niet meer aan te kunnen. Ouders vertonen daarnaast onveilig gedrag, herhaaldelijke ruzies en mogelijk zelfs bedreigingen jegens elkaar in het bijzijn van zoon [minderjarige]. (…).”

Verder staat in de rapportage dat vrouw [minderjarige] al een aantal weken niet naar school brengt op de vrijdagen en zo de omgang van [minderjarige] met de man tegenhoudt. Tot slot staat in de rapportage dat Veilig Thuis tot de conclusie is gekomen dat de begeleiding van het Ouder- en Kindteam niet heeft geleid tot de gewenste situatie en dat Veilig Thuis gaan opschalen naar Jeugdbescherming.

2.14.

In een e-mail van 28 juni 2023 van de school van [minderjarige] aan partijen, waarin zij door school op de hoogte worden gehouden over hoe het op school gaat met [minderjarige], staat dat [minderjarige] de leerkrachten af en toe vertelt dat hij de man mist.

2.15.

De vrouw is op 4 juli 2023 op gesprek geweest bij Jeugdbescherming en de man op 13 juli 2023.

3 Het geschil in conventie

3.1.

De man vordert – samengevat – nakoming van de zorgregeling zoals vastgesteld in de beschikking, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, en in de nakosten.

3.2.

De man heeft, samengevat, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd. De vrouw komt de zorgregeling niet na. Het is in het belang van [minderjarige] dat hij omgang heeft met zijn vader. Na de beschikking verliepen de overdrachten met behulp van opa goed. Het is de man onduidelijk waarom de vrouw dit wilde veranderen en haar nieuwe partner voortaan bij de overdrachten aanwezig moest zijn. Kennelijk wil de vrouw de man in een kwaad daglicht stellen en hem de omgang met [minderjarige] ontnemen. Sinds de scheiding van partijen probeert de vrouw de rol van de man als vader van [minderjarige] te beperken. De man ontkent uitdrukkelijk dat hij [minderjarige] heeft geslagen en dat hij de vrouw tijdens de overdracht op 21 mei 2023 heeft bedreigd.

3.3.

De vrouw heeft, samengevat, het volgende verweer gevoerd. [minderjarige] heeft meerdere keren bij haar, op school en bij de huisarts verteld dat de man hem slaat. [minderjarige] is meerdere keren met blauwe plekken en een kras op zijn rug teruggekomen na een weekend bij de man. De vrouw maakt zich ernstige zorgen om de veiligheid van [minderjarige] en heeft geen vertrouwen in de opvoedcapaciteiten van de man. Door een deskundige zal moeten worden onderzocht of dat wat [minderjarige] zegt, klopt. De vrouw ervaart dat [minderjarige] negatief gedrag vertoont als hij terugkomt van de omgang met de man. De school van [minderjarige] is dit ook opgevallen. De man heeft de vrouw op 21 mei 2023 met de dood bedreigd. Sindsdien durft de vrouw [minderjarige] niet meer mee te geven aan de man. Uitvoering van de zorgregeling zoals die is bepaald in de beschikking is niet in het belang van [minderjarige].

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

De vrouw vordert – onder verwijzing naar haar verweer in conventie, samengevat – (primair) de tenuitvoerlegging van de beschikking te schorsen voor de duur van het door de Raad in opdracht van de voorzieningenrechter te starten onderzoek, dan wel (subsidiair) een voorlopige zorgregeling vast stellen voor de duur van het hoger beroep, waarbij de omgang tussen de man en [minderjarige] zal plaatsvinden onder begeleiding en regie van een deskundige derde.

4.2.

Voor het verweer van de man wordt verwezen naar hetgeen hij in conventie heeft aangevoerd (zie hiervoor onder 3.2).

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie en in reconventie

5.1.

Gelet op de samenhang zullen de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk worden behandeld.

5.2.

Uitgangspunt is dat de zeer recent door deze rechtbank vastgestelde zorgregeling moet worden nagekomen, tenzij zwaarwegende belangen van [minderjarige] zich hiertegen verzetten.

5.3.

De Raadsmedewerker heeft ter zitting, voor zover van belang en samengevat, het volgende advies gegeven. De Raad maakt zich ernstige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige]. Hij is vier jaar oud en vertoont gedrag, ook op school, dat hij op die leeftijd niet zou moeten vertonen. Kinderen van zijn leeftijd zijn bezig met hun eigen identiteit: wie ben ik, wie mag ik zijn? Voor [minderjarige] is het belangrijk, mede voor de ontwikkeling van zijn identiteit, een eigen beeld te vormen van wie zijn ouders zijn. [minderjarige] moet de ruimte kunnen voelen om van beide ouders te houden. De Raad adviseert de zorgregeling weer op te pakken, waarbij opa wordt betrokken bij de overdrachten op de zondag. Het is beter dat de nieuwe partner van de vrouw niet bij de overdracht betrokken is. Op deze manier kan op een voor [minderjarige] veilige wijze uitvoering worden gegeven aan de zorgregeling.

5.4.

Zoals gezegd staat het belang van [minderjarige] voorop. Het is in zijn zijn belang dat hij contact heeft met beide ouders. Ter zitting heeft de Raadsmedewerker vooral haar zorgen geuit over de ontwikkeling van [minderjarige], in die zin is zijn veiligheid in gevaar. Voorshands zijn er onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat [minderjarige] fysiek gevaar loopt bij de man, zoals de vrouw stelt. De ‘verwondingen’ waarvan de vrouw foto’s heeft laten zien duiden eerder op de gevolgen van ruw spelen, zoals de man stelt (en opa bevestigt). Natuurlijk is het zorgelijk dat [minderjarige] zegt dat de man hem heeft geslagen, maar daarmee is niet gezegd dat dit ook waar (of ernstig) is. Zeer recent is nog een bodemprocedure tussen partijen aanhangig geweest bij deze rechtbank. Daarin is mishandeling van [minderjarige] door de man niet aan de orde geweest. In een zeer uitgebreide e-mail van eind mei 2023 van de vrouw aan de man staat ook niets over mishandeling. De e-mail van een maatschappelijk werker van Ons Welzijn duidt er juist op dat de man prima voor [minderjarige] kan zorgen. Bovendien is Jeugdbescherming nu inmiddels betrokken en zullen zij vanzelfsprekend in de gaten houden hoe het met [minderjarige] gaat.

5.5.

Uit het rapport van Veilig Thuis blijkt dat [minderjarige] onhandelbaar is en dat ook de vrouw hier niet goed mee weet om te gaan (zij heeft hem bij de collega van de rapporterende huisarts immers ook zodanig hard aan zijn been getrokken dat deze daarvan schrok). Kortom, uit het dossier komt een beeld naar voren van een jongetje van vier jaar oud dat door het gedrag en geruzie van zijn ouders en de onrust die daardoor bij hem ontstaat, onhandelbaar is geworden. Ook in andere rapportages worden zorgen geuit over hoe partijen met elkaar omgaan. [minderjarige] is de dupe van de conflicten tussen zijn ouders. Hij is gebaat bij rust, stabiliteit en voorspelbaarheid. Daarbij past een onmiddellijke hervatting van de zorgregeling. De ouders moeten beter met elkaar leren omgaan en met [minderjarige]. Daarvoor krijgen zij nu, vooralsnog in het vrijwillig kader, begeleiding van Jeugdbescherming. Het is in belang van [minderjarige] dat beide ouders de aanwijzingen van Jeugdbescherming opvolgen.

5.6.

Dit alles betekent dat de voorzieningenrechter het advies van de Raad volgt, nu niet gebleken is dat zwaarwegende belangen van [minderjarige] zich tegen omgang met de man verzetten. De overdracht van [minderjarige] op de zondag zal via opa verlopen. De nieuwe partner van de vrouw mag onder geen beding bij de overdracht op de zondag aanwezig zijn.

5.7.

De zomervakantie van [minderjarige] start op 21 juli 2023. Conform de beschikking dient [minderjarige] in dit (oneven) jaar de eerste drie weken bij de man en de laatste drie weken bij de vrouw te verblijven. [minderjarige] heeft de afgelopen twee maanden bij zijn moeder verbleven en zijn vader niet gezien. Het is niet in het belang van [minderjarige] dat hij nu zijn moeder drie aaneengesloten weken niet ziet. Daarom zal worden bepaald dat [minderjarige] weer voor het eerst het weekend van 28 tot en met 30 juli 2023 bij de man zal verblijven en dat vanaf de week erna een week op week af regeling zal gelden voor de zomervakantie. Omdat de school van [minderjarige] tijdens de vakantie gesloten is en hij daar niet door de man kan worden opgehaald, wordt ervan uitgegaan dat, nu Jeugdbescherming is betrokken, het mogelijk is dat [minderjarige] door de man op vrijdag bij Jeugdbescherming kan worden opgehaald. Bijkomend voordeel hiervan is dat er contact kan zijn tussen Jeugdbescherming en de man over [minderjarige].

5.8.

De zorgregeling tussen [minderjarige] en de man tijdens de zomervakantie zal er als volgt uitzien:

- van vrijdag 28 juli 2023 12.00 uur tot en met zondag 30 juli 2023 17.00 uur zal [minderjarige] bij de man verblijven, waarbij de man (of opa) [minderjarige] op vrijdag bij Jeugdbescherming ophaalt en opa de overdracht op zondag verzorgt,

- van vrijdag 4 augustus 2023 12.00 uur tot en met vrijdag 11 augustus 2023 12.00 uur zal [minderjarige] bij de man verblijven, waarbij de man [minderjarige] op vrijdag bij Jeugdbescherming ophaalt en de man dan wel opa [minderjarige] daar een week later om 12.00 uur weer terugbrengt,

- van vrijdag 18 augustus 2023 12.00 uur tot en met vrijdag 25 augustus 2023 12.00 uur zal [minderjarige] bij de man verblijven, waarbij de man (of opa) [minderjarige] op vrijdag bij Jeugdbescherming ophaalt en de man dan wel opa [minderjarige] daar een week later om 12.00 uur weer terugbrengt,

- van vrijdag 1 september 2023 12.00 uur tot en met zondag 3 september 2023 17.00 uur zal [minderjarige] bij de man verblijven, waarbij de man (of opa) [minderjarige] op vrijdag bij Jeugdbescherming ophaalt en opa de overdracht op zondag verzorgt.

Maandag 4 september 2023 gaat [minderjarige] weer naar school en vanaf dan zal de zorgregeling moeten worden uitgevoerd zoals vastgesteld in de beschikking.

5.9.

Niet aannemelijk is dat de vrouw de zorgregeling zonder dwangsom zal nakomen. De gevorderde dwangsom zal daarom worden toegewezen, zij het gematigd en gemaximeerd.

5.10.

Ten overvloede wordt nog het volgende overwogen. De vrouw heeft de GGZ benaderd voor een hulptraject voor [minderjarige]. De vrouw is met [minderjarige] voor een eerst intake bij de GGZ geweest en die heeft geadviseerd [minderjarige] gesprekken te laten voeren met een psycholoog. Die wordt nu gezocht. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat ook de man in het belang van [minderjarige] zijn toestemming hiervoor zal verlenen.

5.11.

De slotsom is dat de vordering in conventie zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing en dat de tegenvordering zal worden afgewezen. De proceskosten in conventie en in reconventie worden, zoals gebruikelijk in geschillen tussen ex-partners, gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1.

veroordeelt de vrouw tot nakoming van de zorgregeling zoals vastgelegd in de beschikking van 16 maart 2023 van deze rechtbank, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 5.7 en 5.8 is overwogen,

6.2.

veroordeelt de vrouw om, na betekening van dit vonnis, aan de man een dwangsom te betalen van € 250,00 per keer dat zij niet aan de onder 6.1 uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt,

6.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

6.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

6.6.

weigert de gevraagde voorziening,

6.7.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2023.

Bij afwezigheid van mr. Dudok van Heel is dit vonnis ondertekend door mr. H.C. Hoogeveen, voorzieningenrechter, die het vonnis uitsprak.[_534a4f37-952f-4b1c-98cf-ca39b83ed9d9]

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.