Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Amsterdam, 29 november 2021
ECLI:NL:RBAMS:2021:6901Zaaknummer 9282603 CV EXPL 21-8768
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 29 november 2021
- Publicatiedatum
- 24 juli 2026
- Zaaknummer
- 9282603 CV EXPL 21-8768
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Proceskostenveroordeling, Schadevergoedingsuitspraak, Op tegenspraak
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Een Duitse toeriste die in november 2019 via [internetsite] een [plaatselijke] woonboot had gehuurd voor een verblijf in mei 2020 krijgt de aanbetaalde huur van 1.120 euro terug.
BESLISSING
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van:
- € 1.120,00 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2020 tot aan de voldoening;
- € 168,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op:- exploot € 108,22- salaris gemachtigde € 374,00- griffierecht € 240,00 -----------totaal € 722,22voor zover van toepassing, inclusief btw;
veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 62,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 9282603 CV EXPL 21-8768
vonnis van: 29 november 2021
vonnis van de kantonrechter
I n z a k e
[eiseres],
wonende te [woonplaats 1] (Duitsland),
eiseres,
nader te noemen: [eiseres],
gemachtigde: [gemachtigde] (Berlinger Advocaten),
t e g e n
[gedaagde], h.o.d.n. [handelsnaam],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde,
nader te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 mei 2021, met producties;
- de conclusie van antwoord, met producties;
- het instructievonnis;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Feiten
1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:
[gedaagde] is ondernemer en biedt via het platform [internetsite] overnachtingen aan op woonboten in [plaats].
[eiseres] komt uit Duitsland. Zij heeft in november 2019 via [internetsite] bij [gedaagde] twee kamers op een woonboot geboekt van 4 tot en met 8 mei 2020. De prijs voor de overnachtingen bedroeg in totaal € 1.120,00. [eiseres] heeft dit bedrag via [internetsite] aan [gedaagde] betaald. Daarnaast heeft [eiseres] een bedrag van € 71,93 toeristenbelasting betaald.
Bij de boeking is [eiseres] akkoord gegaan met een annuleringsvoorwaarde. Die hield in dat de boeking niet kosteloos kon worden geannuleerd.
Omstreeks maart 2020 hebben Europese overheden verschillende beperkende maatregelen genomen om de verspreiding van het coronavirus in te dammen. Reizen naar het buitenland werden dringend afgeraden en er golden quarantainemaatregelen bij verblijf in het buitenland.
Op 11 maart 2020 heeft [eiseres] aan [gedaagde] gevraagd om kosteloze annulering van de boeking. [gedaagde] heeft daarop gereageerd dat de boeking nog te ver in de toekomst lag om voor compensatie in aanmerking te komen en dat [eiseres] 2,5 week voor de aankomstdatum contact moest opnemen.
Op 24 maart 2020 en 23 april 2020 heeft [eiseres] opnieuw aangegeven dat zij niet naar Nederland kon komen en heeft zij om compensatie verzocht.
[gedaagde], althans [internetsite], heeft uiteindelijk de door [eiseres] betaalde toeristenbelasting van € 71,93 aan haar terugbetaald.
De gemachtigde van [eiseres] heeft [gedaagde] nadien aangeschreven en hem gesommeerd tot terugbetaling van (het restant van) de huursom, met wettelijke rente en kosten. [gedaagde] is niet overgegaan tot betaling.
Vordering en verweer
2. [eiseres] vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
een verklaring voor recht dat de onderhavige huurovereenkomst is ontbonden, dan wel subsidiair de overeenkomst te ontbinden;
veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van:
- € 1.120,00 aan hoofdsom, met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2012 tot de voldoening;
- € 181,50 aan buitengerechtelijke kosten;
- de proceskosten.
3. Aan haar vordering legt [eiseres] ten grondslag dat zij de overeenkomst tussen partijen met haar e-mail van 24 maart 2020 heeft ontbonden. Daarin schrijft [eiseres] dat zij niet naar Nederland kan komen en zij vraagt [gedaagde] het betaalde bedrag te restitueren. Volgens [eiseres] is [gedaagde] akkoord gegaan met de ontbinding. Bovendien mocht [gedaagde] ook geen instandhouding van de overeenkomst verwachten, gelet op de uitzonderlijke omstandigheden die zich voordeden. [eiseres] doet verder een beroep op vernietiging van de annuleringsvoorwaarde omdat zij stelt dat deze onredelijk bezwarend is.
4. [gedaagde] voert verweer tegen de vordering. Hij is niet akkoord gegaan met ontbinding. [eiseres] heeft de boeking geannuleerd. Het was de keuze van [eiseres] om niet naar Nederland te komen. [gedaagde] voert verder aan dat [eiseres] tijdens het boeken akkoord is gegaan met de annuleringsvoorwaarde. Volgens deze voorwaarde kon de reservering niet kosteloos worden geannuleerd. Deze voorwaarde is niet onredelijk bezwarend. Er was geen sprake van ‘force majeure’ en [eiseres] had ervoor kunnen kiezen tegen een duurder tarief voor een refundable-boekingsoptie te kiezen. Dat heeft zij niet gedaan.
Beoordeling
5. Omdat [eiseres] haar woonplaats in het buitenland heeft, zal eerst ambtshalve moeten worden beoordeeld of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht op het voorliggende geschil van toepassing is.
6. [gedaagde] heeft zijn woonplaats in Nederland. Nederland is lidstaat van de Europese Unie. Op grond van de EEX-Verordening (EU) nr. 1215/2012 wordt de gedaagde partij in beginsel opgeroepen voor een gerecht van de lidstaat waarin hij/zij woont. Dat betekent dat de Nederlandse rechter in dit geval rechtsmacht heeft.
7. Er is verder sprake van huur van een onroerende zaak waarop artikel 4 lid 1 onder c van de Verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst van toepassing is. Daarin is onder meer bepaald dat de overeenkomst die de huur van een onroerend goed tot onderwerp heeft, wordt beheerst door het recht van het land waar het onroerend goed is gelegen. Het gehuurde is in Nederland gelegen, zodat in dit geval Nederlands recht van toepassing is.
8. In deze procedure moet de vraag worden beantwoord of [gedaagde] de door [eiseres] betaalde huursom moet terugbetalen.
Beëindiging van de overeenkomst met wederzijds goedvinden
9. Het standpunt van [eiseres] dat partijen de overeenkomst met wederzijds goedvinden hebben beëindigd - althans ontbonden - wordt niet gevolgd. Dit wordt door [gedaagde] betwist en overigens blijkt ook niet dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de voorwaarden waaronder de overeenkomst zou eindigen. [eiseres] is immers van mening dat zij de huursom terugbetaald moet krijgen, terwijl niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde] daar op enig moment toe bereid is geweest. In dat geval kan de overeenkomst niet met wederzijds goedvinden zijn beëindigd.
Onvoorziene omstandigheden
10. Daarmee wordt toegekomen aan het verzoek van [eiseres] om de overeenkomst door de kantonrechter te laten ontbinden. [eiseres] doet daartoe een beroep op onvoorziene omstandigheden. In artikel 6:258 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter op vordering van een partij de gevolgen van een overeenkomst kan ontbinden op grond van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. De rechter moet bij de toets of sprake is van onvoorziene omstandigheden, in verband met het uitgangspunt dat afspraken bindend zijn, terughoudend zijn.
11. Dat de corona pandemie onvoorzien was staat niet ter discussie, maar dit geeft op zichzelf niet de doorslag. Of de omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voorzienbaar waren, is namelijk niet beslissend. Het gaat erom van welke veronderstellingen partijen zijn uitgegaan toen zij de overeenkomst sloten en of zij stilzwijgend de mogelijkheid van onvoorziene omstandigheden hebben verdisconteerd. Bepalend voor beantwoording van die vraag is welke zin partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijze aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
12. Wat betreft de omvang en gevolgen van de coronacrisis wordt geoordeeld dat sprake was van onvoorziene omstandigheden als bedoeld in artikel 6:258 BW. Geoordeeld wordt dat partijen de coronacrisis bij het sluiten van de overeenkomst niet voor ogen hebben gehad en dat zij daar geen (stilzwijgende) regeling voor hebben getroffen of dat zij de uitzonderlijke gevolgen daarvan in de overeenkomst hebben gedisconteerd. Ten tijde van de boeking in november 2019 was het nieuwe coronavirus nog niet bekend en de gevolgen daarvan lagen nog volledig in de toekomst. Pas begin 2020 is de coronacrisis in Nederland en Duitsland in al haar hevigheid uitgebarsten waarbij overheden vergaande beperkende (reis)maatregelen hebben opgelegd. In de annuleringsvoorwaarde die partijen zijn overeengekomen is slechts in algemene zin bepaald dat de gast bij annulering altijd de totale prijs van de reservering is verschuldigd. Dat daar ook de uitzonderlijke consequenties van de huidige pandemie, die zowel gezondheidsrisico’s met zich brengt als wel gepaard gaat met nog niet eerder vertoond overheidsingrijpen en zware bedrijfseconomische consequenties, in verdisconteerd zijn, is in redelijkheid niet gebleken.
13. Onder voornoemde omstandigheden mocht [gedaagde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde instandhouding van de huurovereenkomst verwachten. De kantonrechter zal de overeenkomst met terugwerkende kracht ontbinden. Hetgeen [eiseres] heeft aanbetaald, kan zij daarom als onverschuldigd betaald terugvorderen, met wettelijke rente.
14. Het antwoord op de vraag of de overeengekomen annuleringsvoorwaarde onredelijk bezwarend is kan in het midden blijven, nu gezien het voorgaande aan die beoordeling niet wordt toegekomen.
15. Vastgesteld wordt dat [eiseres] bij dagvaarding voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het toe te wijzen bedrag zal ambtshalve worden gematigd tot € 168,00. Dit bedrag is in overeenstemming met hetgeen maximaal is toegestaan volgens het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. [eiseres] heeft niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat de werkelijk gemaakte kosten hoger zijn dan dit bedrag.
16. [gedaagde] wordt als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.
BESLISSING
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van:
- € 1.120,00 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2020 tot aan de voldoening;
- € 168,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op:- exploot € 108,22- salaris gemachtigde € 374,00- griffierecht € 240,00 -----------totaal € 722,22voor zover van toepassing, inclusief btw;
veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 62,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.