Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Amsterdam, 7 juli 2021
ECLI:NL:RBAMS:2021:3611Zaaknummer C/13/703028 / KG ZA 21-460
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 7 juli 2021
- Publicatiedatum
- 14 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/13/703028 / KG ZA 21-460
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
KG vordering verlenen toegang tot school verwijderde 4-havo leerling voor 2e maal afgewezen.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
weigert de gevraagde voorzieningen,
veroordeelt [eiseres] in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van de Stichting begroot op:
– € 667,- € 667,- aan griffierecht en
– € 667,- € 1.016,- aan salaris advocaat,
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Balk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2021.[_c0c3a312-da26-45ff-9c2a-36fa6590eac3]
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
zaaknummer / rolnummer: C/13/703028 / KG ZA 21-460 MDvH/MB
Vonnis in kort geding van 7 juli 2021
in de zaak van
[eiseres],
in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige],
wonende te [woonplaats],
eiseres bij conceptdagvaarding,
advocaat mr. O. Saaliti te Amsterdam,
tegen
de stichting
[gedaagde],
gevestigd te [vestigingsplaats],
gedaagde,
vrijwillig verschenen,
advocaat mr. C.W. Kniestedt te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eiseres] en de Stichting worden genoemd.
1 De procedure
Ter zitting van 23 juni 2021 heeft [eiseres] de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. De Stichting heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben schriftelijke stukken en een pleitnota ingediend.
Ter zitting waren aanwezig:
- aan de kant van [eiseres]: [eiseres], [minderjarige] ( [minderjarige] ), en
mr. Saaliti;
- aan de kant van de Stichting: [naam 2], rector, mr. [naam 3], juridisch adviseur, en mr. Kniestedt.
Vonnis is bepaald op heden.
2 De feiten
[eiseres] is de moeder van [minderjarige], die is geboren op 16 september 2004.
[minderjarige] volgt sinds het schooljaar 2018-2019 onderwijs aan de [gedaagde], een reguliere school voor algemeen bijzonder primair en voortgezet onderwijs. De school wordt in stand gehouden door en onder gezag van de Stichting. [minderjarige] is op de school begonnen in het tweede leerjaar van de havo (hoger algemeen voortgezet onderwijs). [minderjarige] heeft in de schooljaren 2016-2017 en 2017-2018 onderwijs gevolgd aan respectievelijk het Sint Nicolaaslyceum en het Sweelinck College.
In januari 2019 en augustus 2020 zijn zogenoemde ‘ontwikkelings-perspectieven’ (opp’s) voor [minderjarige] opgesteld, naar aanleiding van zijn gedrag op school dat daarin ‘grensoverschrijdend’ wordt genoemd.
De rector van de school (aanvankelijk [naam 4], inmiddels
[naam 2]) heeft [minderjarige] op 27 november 2018, 10 januari 2019, 13 juni 2019 en 12 maart 2020 voor enkele dagen geschorst wegens – kort gezegd – onbehoorlijk gedrag.
Bij brief van 5 november 2020 heeft de rector van [gedaagde] aan [eiseres] meegedeeld dat [minderjarige] voor de vijfde keer is geschorst, dat een verwijderingsprocedure zal worden gestart en dat de rector op zoek gaat naar een passende plek waar hij zijn havo opleiding kan voortzetten. [eiseres] heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt.
Bij brief van 30 november 2020 heeft de rector aan [eiseres] meegedeeld dat de schorsing en het voornemen tot het verwijderen van [minderjarige] van school niet betekent dat hij niet meer zal worden begeleid. In de brief is uiteengezet hoe het onderwijs voor [minderjarige] verder is geregeld en dat de school bereid is om een huiswerkinstituut voor [minderjarige] te regelen.
Op 16 december 2020 heeft [eiseres] een verzoekschrift ingediend bij de Geschillencommissie Passend Onderwijs (GPO) en (onder meer) verzocht dat deze de Stichting aanbeveelt om [minderjarige] weer toe te laten op school.
Op 18 december 2020 heeft (het College van Bestuur namens) de Stichting het bezwaarschrift ongegrond verklaard, althans het ‘verzoek om het genomen besluit te heroverwegen’ en ‘het bezwaar gegrond te verklaren’ afgewezen.
In een eerder kort geding, waarvan de zitting plaatsvond op 22 januari 2021, heeft [eiseres] al veroordeling gevorderd van de Stichting om [minderjarige] weer toe te laten tot het vierde leerjaar van de havo van de school, hem toe te laten tot alle onderwijsvoorzieningen en hem in de gelegenheid te stellen om zijn eindexamen havo af te leggen.
Bij vonnis van 5 februari 2021 (hierna: het eerste vonnis) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vorderingen van [eiseres] afgewezen.
In het vonnis is onder meer het volgende overwogen:
“4.3. Bij de beslissing om een leerling van school te verwijderen heeft de school (het ‘bevoegd gezag’) een zekere beleidsvrijheid. (…) de leerling (althans zijn wettelijke vertegenwoordiger) [kan] gebruik maken van de bezwaarprocedures binnen de school en een geschil voorleggen aan de GPO, zoals in dit geval ook is gebeurd. De burgerlijke rechter kan ingrijpen als de school een beslissing heeft genomen waartoe zij in redelijkheid niet heeft kunnen komen en/of als het belang van de leerling bij het terugdraaien van een beslissing zwaarder moet wegen dan het belang van de school bij de handhaving daarvan. Voor een toewijzende beslissing in kort geding is verder een voorwaarde dat de eisende partij daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat laatste is, als het gaat om een voorgenomen verwijdering van school, in beginsel het geval.
De school heeft het voorgenomen besluit om [minderjarige] van school te verwijderen en hem in afwachting daarvan te schorsen, niet lichtvaardig genomen. Op grond van het door de school gemaakte chronologisch overzicht van de gebeurtenissen en het logboek dat de school in het geding heeft gebracht, is voldoende aannemelijk dat [minderjarige] vanaf het begin van zijn verblijf op de school problematisch gedrag heeft vertoond, dat ernstig verstorend werkt op de gang van zaken in de klas. Het gaat niet om een enkel incident, de meldingen zijn afkomstig van verschillende docenten en zien op uiteenlopende situaties. Het gaat vooral om het respectloos omgaan met leraren en medeleerlingen, niet luisteren en de orde verstoren. Aannemelijk is dat dergelijke problemen zich op de vorige school van [minderjarige] (het Sweelinck College) ook al voordeden. [minderjarige] was vanwege dergelijk gedrag al viermaal tijdelijk geschorst. Weliswaar heeft [eiseres] bezwaar gemaakt tegen de eerdere schorsingen, maar voorshands is niet aannemelijk geworden dat aan die eerdere maatregelen geen gegronde reden ten grondslag lag.
Een voorval op 5 november 2020, waarbij [minderjarige] en een medeleerling elkaar zouden hebben geslagen, was de druppel die de emmer deed overlopen en heeft geleid tot het voorgenomen besluit om [minderjarige] definitief van school te verwijderen. Weliswaar hebben de school en [minderjarige] verschillende lezingen van het gebeurde op 5 november 2020, maar aannemelijk is dat dit het zoveelste voorval was waarbij [minderjarige] betrokken was en dat hij niet tot de orde kon worden geroepen.
Mogelijk is het gedrag van [minderjarige] geen kwade opzet, maar duidelijk is wel dat zijn gedragsproblemen serieus zijn en de gang van zaken op school in ernstige mate frustreren. De school heeft de problematiek onderkend en heeft van alles geprobeerd om [minderjarige] de nodige begeleiding te bieden om verbetering in de situatie te brengen. De voornaamste reden dat de begeleiding niet van de grond is gekomen lijkt dat [eiseres], als moeder van [minderjarige], daarin niet wilde meegaan. Er is veel misgegaan in de communicatie, maar uiteindelijk is de begeleiding gestagneerd en het ‘opp’ niet uitgevoerd, doordat [eiseres] niet achter de plannen stond en geen vertrouwen in de school had, noch in het samenwerkingsverband (SWV).
Al met al is het oordeel van de school en de Stichting, dat er op [gedaagde] geen plaats meer is voor [minderjarige], niet onbegrijpelijk of onredelijk.”
De GPO heeft in haar advies van 23 februari 2021 het onder 2.7 genoemde verzoek van [eiseres] afgewezen en geoordeeld dat de school in redelijkheid tot het voornemen om [minderjarige] van school te verwijderen heeft kunnen komen. Verder heeft de GPO [eiseres] geadviseerd mee te werken aan een onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte en begeleiding van [minderjarige], zodat hij zich verder kan ontwikkelen. In de aanbeveling van de GPO staat onder meer:
“Op grond van de stukken (…) en het verhandelde ter zitting stelt de Commissie vast dat sprake is van forse gedragsproblematiek. Sinds de start van [minderjarige] op de school is er sprake van incidenten en zorgen over zijn gedrag. (…) Voorts blijkt dat [minderjarige] slecht aanspreekbaar is op zijn gedrag. (…) De Commissie is van oordeel dat dit gedrag dermate ernstig is dat daardoor het onderwijsproces wordt verstoord (…).”
[eiseres] heeft op 4 maart 2021 hoger beroep aangetekend tegen het eerste vonnis.
Bij brief van 26 maart 2021 heeft de Stichting [eiseres] het voorgenomen besluit tot definitieve verwijdering van [minderjarige] van school meegedeeld. Daarin staat ook dat de Stichting het in het belang van [minderjarige] acht om naar een school te gaan die hem de extra begeleiding kan geven die hij nodig heeft en dat hij in dat kader welkom is op De Apollo, een kleinschalige vmbo/havoschool waar veel persoonlijke begeleiding aan leerlingen wordt geboden.
Op 6 april 2021 heeft [eiseres] tegen het voorgenomen besluit tot definitieve verwijdering haar zienswijze kenbaar gemaakt. In het verslag daarvan is vermeld dat de raadsman van [eiseres] heeft opgemerkt dat uit onderzoek zou zijn gebleken dat [minderjarige] geen gedragsproblemen heeft, dat extra ondersteuning niet nodig is en dat De Apollo dus geen geschikte school voor hem is. Verder staat in het verslag dat De Apollo aan [eiseres] heeft meegedeeld dat pas eind mei duidelijk is of er plek voor nieuwe leerlingen is op De Apollo.
Bij besluit van 13 april 2021 heeft de Stichting [eiseres] meegedeeld dat [minderjarige] definitief van school wordt verwijderd, en dat de zienswijze van [eiseres] geen aanleiding vormt om daarover anders te oordelen.
Op enig moment heeft de directeur (rector) van [gedaagde] een melding gedaan bij Veilig Thuis, omdat sprake zou zijn van een bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige].
Onder de gedingstukken bevinden zich verslagen van betrokkenen die [eiseres] hebben vergezeld bij bezoeken aan de school in de periode van 2018 en 2019, waarin onder meer is aangegeven dat de school volgens deze betrokkenen tekort is geschoten op het gebied van communicatie en het zoeken naar oplossingen in het belang van [minderjarige].
In een verklaring van 16 juni 2021 heeft [naam 5], voorzitter van de Belangenvereniging intensieve kindzorg, meegedeeld via videobellen aanwezig te zijn geweest bij het huisbezoek van Veilig Thuis aan [minderjarige] en [eiseres] en te hebben vastgesteld dat [minderjarige] een rustige en positieve indruk maakte en gemotiveerd is om zijn school goed af te maken.
In de hoger beroepsprocedure bij het gerechtshof zal op 11 augustus 2021 een mondelinge behandeling plaatsvinden. Bij de Memorie van Antwoord (ook overgelegd in dit kort geding) heeft de Stichting het door de school gemaakte logboek overgelegd, waarin incidenten met [minderjarige] zijn beschreven.
3 Het geschil
[eiseres] vordert, samengevat, de Stichting:
I. te verbieden het eerste vonnis te executeren;
II. te bevelen, op straffe van verbeurte van dwangsommen, [minderjarige] toegang te verlenen tot de schoolgebouwen, het terrein en de lokalen, hem in staat te stellen het volledige schoolprogramma, waaronder lessen en overige activiteiten te volgen, hem toegang te verlenen tot alle onderwijsvoorzieningen die de Stichting biedt en hem de gelegenheid te geven het eindexamen af te leggen;
- te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.
De Stichting voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, ingegaan.
4 De beoordeling
Net als in het vorige kort geding, vordert [eiseres] in deze zaak dat [minderjarige] weer wordt toegelaten tot de school. Inmiddels is de situatie ten opzichte van het vorige kort geding veranderd, omdat de Stichting [minderjarige] bij besluit van 13 april 2021 definitief van school heeft verwijderd. Daartegen is, zo is ter zitting gebleken, geen – officieel – bezwaarschrift ingediend (de Stichting heeft in ieder geval geen bezwaarschrift ontvangen), zodat in beginsel van de rechtsgeldigheid van die beslissing moet worden uitgegaan.
Verder is geen sprake van een executiegeschil in de eigenlijke zin, aangezien een tenuitvoerlegging van het vonnis door de Stichting – behoudens de kostenveroordeling – niet aan de orde is. Als het verbod tot tenuitvoerlegging van het vonnis wordt toegewezen, dan ligt er nog steeds een beslissing tot schorsing en inmiddels verwijdering van [minderjarige] van school. In zoverre heeft [eiseres] bij de vordering onder I onvoldoende belang. De argumenten die zij heeft aangevoerd op grond waarvan het vonnis in haar optiek niet in stand kan blijven, zullen worden beoordeeld in het hoger beroep. Er is geen aanleiding om daarop in dit kort geding vooruit te lopen.
Ter onderbouwing van haar stelling dat de vordering onder II moet worden toegewezen heeft [eiseres] met name gesteld dat de Stichting zich niet houdt aan haar toezegging [minderjarige] (online) onderwijsfaciliteiten te verstrekken, opdat hij het vierde havo leerjaar kan afronden en zijn examens kan doen. Daarnaast is De Apollo volgens [eiseres] geen redelijk alternatief, omdat [minderjarige] geen gedragsproblemen vertoont op grond waarvan extra ondersteuning nodig zou zijn. Volgens [eiseres] handelt de Stichting door [minderjarige] niet langer op school toe te laten en geen passend alternatief te bieden onzorgvuldig en in strijd met de Leerplichtwet.
Partijen verschillen van mening over de vraag of de school [minderjarige] na zijn schorsing voldoende gelegenheid heeft gegeven om online onderwijs te volgen en zijn examens af te ronden. Wat daarvan zij – het logboek van de school loopt tot en met eind maart, dus tot dan toe heeft [minderjarige] in elk geval onderwijs gevolgd – inmiddels is het schooljaar bijna afgelopen en hebben partijen afspraken gemaakt, inhoudend dat [minderjarige] zijn profielwerkstuk kan inleveren, daarover een (online) presentatie kan houden en het enige nog openstaande (her-) examen kan verrichten. Dat [minderjarige] voor het lopende schooljaar nog toegang zou moeten krijgen tot andere faciliteiten, omdat hij anders het leerjaar niet zou kunnen afronden, is gesteld noch gebleken.
Ook overigens bestaan geen valide argumenten op grond waarvan de Stichting verplicht zou zijn om [minderjarige] nu, in afwachting van het oordeel van het hof en in weerwil van het besluit tot definitieve verwijdering, weer toe te laten op de school. Terecht is zijdens de Stichting ter zitting opgemerkt dat het belang van [minderjarige] er het meest mee gediend is dat energie wordt gestoken in de toekomst, zodat [minderjarige]
uiteindelijk zijn havo diploma op zak zal hebben. Dat is temeer het geval omdat uit de, ook door [eiseres] zelf, in het geding gebrachte stukken (waaronder de onder de 2.18 genoemde verslagen) weinig vertrouwen spreekt in de wijze waarop de Stichting te werk gaat, hoewel zij ter zitting desgevraagd anders heeft verklaard. De Apollo lijkt een goed alternatief voor [minderjarige], nu dat een kleinschalige school is, waar ook de havo richting kan worden gevolgd, en extra begeleiding kan worden geboden aan leerlingen die dat nodig hebben. Gelet op de schoolcarrière van [minderjarige] tot dusver en tegen de achtergrond van wat de GPO in haar advies heeft opgenomen, is, anders dan [minderjarige] en zijn moeder menen, voldoende aannemelijk dat De Apollo een goede plek voor [minderjarige] is en dat wel degelijk sprake is van gedragsproblematiek aan zijn kant. Overigens staat het [eiseres] vrij om een andere school te benaderen, indien zij bij haar mening blijft dat De Apollo niet geschikt is.
De vraag of de rector al dan niet terecht een melding bij Veilig Thuis heeft gedaan – volgens [eiseres] bestond daartoe, anders dan de rector meent, totaal geen aanleiding – behoeft voor de uitkomst van dit kort geding geen beantwoording. Dat [minderjarige] gemotiveerd is om zijn school af te maken, zoals uit de verklaring van [naam 5] naar voren komt (2.19), biedt perspectief en is des te meer reden om de start op een nieuwe school positief tegemoet te zien.
Een situatie strijdig met de Leerplichtwet of anderszins onrechtmatig handelen door de Stichting, is, anders dan [eiseres] heeft gesteld, niet aan de orde.
De gevraagde voorzieningen zullen dan ook worden geweigerd, met veroordeling van [eiseres], als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
weigert de gevraagde voorzieningen,
veroordeelt [eiseres] in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van de Stichting begroot op:
– € 667,- € 667,- aan griffierecht en
– € 667,- € 1.016,- aan salaris advocaat,
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Balk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2021.[_c0c3a312-da26-45ff-9c2a-36fa6590eac3]
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.