Uitspraak · Strafrecht
Rechtbank Amsterdam, 24 oktober 2019
ECLI:NL:RBAMS:2019:7992Zaaknummer 13/680157-18 (ontneming)
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 24 oktober 2019
- Publicatiedatum
- 31 oktober 2019
- Zaaknummer
- 13/680157-18 (ontneming)
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
onvoldoende onderbouwing ontneming, vordering ontneming afwijzen
5 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.C.J. Hamming, voorzitter,
mrs. M.E.A. Nijssen en Y. Moussaoui, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 oktober 2019.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Parketnummer: 13/680157-18 (ontneming)
Datum uitspraak: 24 oktober 2019
VONNIS
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/680157-18, tegen:
[verdachte], hierna te noemen [verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen,
laatst opgegeven verblijfadres: [adres],
gedetineerd uit andere hoofde in de [detentieplaats].
1 Onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie van 26 augustus 2019 tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, van de op de vordering betrekking hebbende stukken en van wat door de officier van justitie,
mr. A.A. de Back, en door de gemachtigde raadsman van verdachte, mr. K.H.T. van Gijssel, naar voren is gebracht.
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de ontnemingsvordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 10 oktober 2019.
2 Vordering
De schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel van € 2.500,-.
3 Grondslag van de vordering
[verdachte] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 oktober 2019 veroordeeld voor onder meer het medeplegen van diefstal met braak en inklimming, terwijl tijdens het plegen van dit misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.
4 Beoordeling
De rechtbank concludeert dat uit het dossier onvoldoende blijkt wat er precies zat in de weggenomen kluis. In de aangifte staat dat onder meer een geldbedrag van € 2.500,- is weggenomen, maar dit wordt niet ondersteund door andere stukken uit het dossier. De foto met daarop een aantal rolletjes kleingeld is daartoe onvoldoende. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie daarom afwijzen.
5 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.C.J. Hamming, voorzitter,
mrs. M.E.A. Nijssen en Y. Moussaoui, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 oktober 2019.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.