Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Amsterdam, 12 september 2018

ECLI:NL:RBAMS:2018:6437Zaaknummer C/13/641276 / HA ZA 18-11

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12 september 2018
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
C/13/641276 / HA ZA 18-11
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Proceskostenveroordeling, Schadevergoedingsuitspraak
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Onrechtmatige bemiddeling bij geldleningsovereenkomst, wetenschap van geestelijke stoornis, misbruik van procesrecht? Afwijzing van hierop gegronde vorderingen.

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.373,-,

5.3.

veroordeelt [eisers] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eisers] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. van Eekeren, rechter, bijgestaan door mr. M.A. Kloppenburg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2018.[_a9430877-29ef-43b0-b03e-1d587fecc905]

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/641276 / HA ZA 18-11

Vonnis van 12 september 2018 (bij vervroeging)

in de zaak van

1 [eiser 1],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 2] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

eisers,

advocaat mr. R.A.D. Blaauw te Rotterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. P.C. Smit te Utrecht.

Eisers zullen hierna gezamenlijk [eisers] worden genoemd en afzonderlijk [eiser 1] en [eiser 2]. Gedaagde zal hierna [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van 23 december 2017, met producties;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • het tussenvonnis van 20 juni 2018, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
  • het proces-verbaal van comparitie van 15 augustus 2018;
  • de brief aan de zijde van [gedaagde] van 29 augustus 2018 met een reactie op het proces-verbaal;
  • de brief aan de zijde van [eisers] van 4 september 2018 met een reactie op het proces-verbaal.
1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van [naam bedrijf] B.V. (hierna: [naam bedrijf] ). [naam bedrijf] is enig aandeelhouder en bestuurder van [eiser 2].

2.2.

[eiser 1] heeft [gedaagde] leren kennen rond 2009 op een beurs, die hij bezocht met zijn toenmalige echtgenote [naam toemalige echtgenote] (hierna: [naam toemalige echtgenote] ). [eiser 1] heeft op deze beurs sieraden gekocht bij juwelier [naam juwelier], waar [gedaagde] werkte als verkoopster. [gedaagde] is voornamelijk bevriend geraakt met [naam toemalige echtgenote] en heeft ook vriendschappelijke contacten met [eiser 1] onderhouden.

2.3.

[eiser 1] is vanaf 2013 wegens geestelijke gezondheidsproblemen onder behandeling geweest. Hij heeft een burn-out gehad en is gediagnosticeerd met een bipolaire stoornis. In 2013 is [eiser 1] arbeidsongeschikt verklaard en heeft hij zich vrijwillig een aantal dagen laten opnemen op een psychiatrische afdeling.

2.4.

Op 15 januari 2016 is [eiser 1] na een ruzie met [naam toemalige echtgenote] en zijn kinderen op last van de burgemeester gedurende zes dagen in bewaring gesteld. De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 21 januari 2016 de bewaring opgeheven. Hierbij overwoog de rechtbank onder meer als volgt:

“De rechtbank is van oordeel dat het ernstige vermoeden bestaat dat bij de betrokkene sprake is van een stoornis van de geestesvermogens als bedoeld in de Wet BOPZ. Er is sprake van een bipolaire stoornis, waarbij de betrokkene zich thans nog in de manische periode bevindt. Echter betrokkene heeft ziekte-inzicht. Hij neemt zijn medicijnen en heeft inmiddels een psychiater gezocht in zijn woonomgeving. (…) waarbij tevens van belang is dat de betrokkene inmiddels enkele financiële adviseurs om zich heen heeft verzameld, die impulsaankopen als hiervoor omschreven, kunnen verhinderen.”

2.5.

Op 26 januari 2016 heeft tussen [eiser 1] en [gedaagde], voor zover hier van belang, de volgende correspondentie plaatsgevonden.

[eiser 1], om 13:38 uur: “Oké even duidelijk 500000 is 800000 euro plus klokje en 600000 euro

is 900000 euro plus klokje. Dan weten we waar we staan !”

[gedaagde], om 13:43 uur: “Klopt en dat krijg je op de. Mail zwart op. Wit maar. [eiser 1] ik wil

ondergeen beding daar problemen met. [naam toemalige echtgenote] door krijgen dit is een. Zakelijke trans aktie

toch ?”

2.6.

Op 26 januari 2016 heeft [eiser 2] een mondelinge geldleningsovereenkomst gesloten met de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ), uit hoofde waarvan [eiser 2] diezelfde dag een bedrag van € 600.000,- aan [naam 1] heeft geleend. De overeenkomst is nadien schriftelijk vastgelegd en door [eiser 1] en [naam 1] ondertekend. Hierin is onder meer bepaald dat [naam 1] de lening, rente en een deel van de verwachte winst, met een totaalbedrag van € 900.000,-, dient af te lossen op uiterlijk 26 januari 2017.

2.7.

Op 18 februari en 11 mei 2016 heeft [eiser 1] aanvullende leningen verstrekt aan [naam 1] van respectievelijk (totaal) € 75.000,- en € 150.000,-. In totaal heeft [eisers] derhalve € 825.000,- aan [naam 1] geleend.

2.8.

[eiser 1] heeft op enig moment na de verstrekking van de tweede dan wel derde aanvullende lening een Rolex horloge ontvangen van [gedaagde]. [naam 1] had het horloge bij [naam juwelier] gekocht met het verzoek aan [gedaagde] dit aan [eiser 1] te geven.

2.9.

Op 23 februari 2016 heeft [gedaagde], voor zover hier van belang, het volgende aan [eiser 1] geschreven:

“Goedemiddag. [eiser 1] [naam 1] heeft te veel afspraken plus 1 vergeten dus vanavond kan niet door gaan wij doen het na de vakantie. Gr [gedaagde]”

2.10.

Op 16 maart 2016 heeft [eiser 1], voor zover hier van belang, het volgende aan [gedaagde] geschreven:

“Beste [gedaagde]

Bel me straks even hoe zit het met onze deal anders krijg ik problemen met mijn familie ze willen mij op 4 april onder curatelen zetten dus dit komt niet goed uit het moet opgelost worden zo snel als mogelijk anders krijgen ze nog gelijk and dat doen we niet ik vertrouw het nog steeds hoor want ik geloof nog wel in mensen”

En op 4 april 2016:

“Laat [naam 1] mij even bellen asap groet [eiser 1]”

2.11.

Op 11 en 12 april 2016 heeft [gedaagde], voor zover hier van belang, de volgende berichten aan [eiser 1] geschreven.

11 april, om 17:02 uur: “[eiser 1] het gaat niet lukken vandaag kan jij morgen ??rond een uur of 2of3 laat mij dat dan nu weten dan staat dat. [naam 1] moet naar het ziekenhuis (…).”

11 april, om 19:41 uur: “Ik ga. [naam 1] appen denk dat hij of nu of morgen reageerd ivm ziekenhuis ik laat het jou zodra ik het hoor weten. (…)”

12 april, om 08:27 uur: “17uur. Hotel [locatie]. [gedaagde]”

2.12.

Bij beschikking van 18 april 2016 heeft de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland op verzoek van de zonen van [eiser 1] een provisioneel bewindvoerder benoemd en hem belast met het bewind over de goederen van [eiser 1]. Daarnaast heeft de kantonrechter een psychiater als deskundige benoemd om een onderzoek te verrichten naar de gezondheidstoestand van [eiser 1].

2.13.

In de aanloop naar voornoemde beschikking heeft [eiser 1] op 1 april 2016 een verweerschrift ingediend. Hierin heeft [eiser 1] onder meer het volgende aangevoerd:

“Zelfs al zou, zoals gesteld door verzoekers, [eiser 1] een bipolaire stoornis hebben, dan brengt dat nog niet met zich mee dat hij onder curatele of bewind moet worden gesteld.

(…)

Wat verzoekers maar al te goed weten is dat de manier van zaken doen van de heer [eiser 1] nimmer is veranderd. Hij schakelt snel en schat de risico’s in die hij van tevoren snel analyseert. Een feit is dat de heer [eiser 1] daar zeer succesvol in was en is! [eiser 1] heeft het vermogen in zijn vennootschap en in privé zelf opgebouwd. Hij is zoals hij is namelijk een “self made man”.”

2.14.

Bij beschikking van 2 mei 2017 heeft de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland het verzoek tot ondercuratelestelling, althans bewind, afgewezen en het provisionele bewind beëindigd. Daartoe heeft de kantonrechter onder meer overwogen dat de deskundige als volgt heeft geconcludeerd:

“retrospectief zijn er geen objectiveerbare aanwijzingen voor wils(on)bekwaamheid en was betrokkene volgens mij in staat om zijn belangen te begrijpen en te behartigen en bestond er geen gevaar voor zijn veiligheid of die van anderen.”

2.15.

Op 23 juli 2016 heeft [eiser 1], voor zover hier van belang, het volgende aan [gedaagde] geschreven:

“[gedaagde] ik ben aangehouden bij de grens over mijn horloge ik moet bewijs overleggen dat mag voorlopig op de mail dat ik de btw betaald heb later moet ik het origineel opsturen graag reactie

(…)

Heb jij wel jou twee tonnetjes al gehad ?

Voor onze horloge deal ?

Dat zou jij toch krijgen aan deze deal daarom heb ik het gedaan op vertrouwen van jou”

2.16.

Voorts heeft [eiser 1] op 3 april 2017, voor zover hier van belang, het volgende aan [gedaagde] geschreven:

“Hoe gaat het met jou heb jij je 200000 euro van [naam 1] al binnen zoals jij aan mij heb verklaard ?

Ik zit nog steeds te wachten op de papieren certificaten van het horloge dat jij aan mij heb overhandigd in het hotel in [plaats] ?”

2.17.

[naam 1] heeft, ondanks diverse verzoeken daartoe van [eisers] en door [eisers] gelegde beslagen, geen (terug)betalingen aan [eisers] verricht.

2.18.

Bij brief van 23 oktober 2017 heeft [eisers] [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de door [eiser 1] geleden schade als gevolg van de leningen en haar gesommeerd om het bedrag van de leningen binnen een week aan [eisers] te betalen.

2.19.

Bij vonnis van 11 april 2018 heeft de rechtbank Noord-Holland [naam 1] veroordeeld tot terugbetaling van de geleende hoofdsom van € 825.000,- aan [eisers] De door [eisers] gevorderde betaling van rente en winstbijdrage is door de rechtbank afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vordert samengevat - bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van de door [eisers] geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, kosten rechtens.

3.2.

[eisers] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door op te treden als bemiddelaar in de transactie met [naam 1]. Ter comparitie heeft [eisers] de feitelijke grondslag van de vordering beperkt tot de eerste lening van

26 januari 2016 (zie onder 2.6, hierna: de lening). Hij beroept zich niet langer op onrechtmatig handelen van [gedaagde] bij het aangaan door [eiser 1] van de aanvullende twee leningen (zie onder 2.7).

3.3.

[eisers] voert ter feitelijke onderbouwing van zijn vordering het volgende aan. De bemiddelende rol van [gedaagde] is cruciaal geweest, in die zin dat [eisers] de lening zonder haar bemiddeling niet zou zijn aangegaan. Haar rol blijkt uit de correspondentie tussen [eiser 1] en [gedaagde], haar betrokkenheid bij het maken van en haar aanwezigheid bij afspraken tussen [eiser 1] en [naam 1], uit een provisie van € 200.000,- die zij voor haar bemiddeling van [naam 1] heeft ontvangen en het horloge dat [naam 1] via aankoop bij haar werkgever en via haar in persoon aan [eiser 1] heeft gegeven als bonus voor het aangaan van de lening. Gelet op haar wetenschap van [eiser 1] psychische problematiek, had zij moeten afzien van deze bemiddeling en [eisers] er juist van moeten weerhouden om de lening te verstrekken. In ieder geval had zij onderzoek moeten doen naar [naam 1], nu de pers inmiddels melding maakt van een vermeend crimineel verleden. [gedaagde] heeft hierdoor op onrechtmatige wijze [eisers] bewogen tot het aangaan van de lening, waardoor [eiser 2] schade heeft geleden. [eiser 2] zou immers zonder het onrechtmatig handelen door [gedaagde] de geldlening niet hebben verstrekt aan [naam 1]. De door [eisers] geleden schade, volgens [eisers] bestaande uit in ieder geval het geleende bedrag van € 825.000,- en daarnaast eventueel ook de met [naam 1] afgesproken rente en winstbijdrage, dient door [gedaagde] te worden vergoed, aldus steeds [eisers]

3.4.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] met veroordeling van [eisers] in de werkelijke proceskosten.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eisers] stelt in de kern dat [gedaagde] hem op onrechtmatige wijze heeft bewogen tot het aangaan van de lening en dat [eisers] deze niet zou zijn aangegaan zonder haar betrokkenheid.

4.2.

Het verweer van [gedaagde] luidt dat zij geen enkele betrokkenheid heeft gehad bij de totstandkoming van de overeenkomst tussen [eisers] en [naam 1]. Zij onderhoudt met zowel [eiser 1] als [naam 1] contacten, maar die zijn louter vriendschappelijk van aard en niet zakelijk. Zij heeft dan ook nooit provisie ontvangen van [naam 1]. Het horloge dat zij aan [eiser 1] heeft overhandigd, was afkomstig van [naam 1] en heeft zij op diens verzoek aan [eiser 1] gegeven. [gedaagde] meent zich te herinneren dat zij van de overeenkomst heeft vernomen via [naam toemalige echtgenote], kort nadat [eiser 2] de lening had verstrekt. Vervolgens heeft zij de lening besproken met [eiser 1] en hem aangeraden om de afspraken schriftelijk vast te leggen. Daarna hebben af en toe ontmoetingen plaatsgevonden tussen [gedaagde], [eiser 1] en [naam 1], maar daarbij werd niet gesproken over de lening of andere geldzaken. Dat [eiser 1] in de maanden daarna aanvullende leningen heeft verstrekt, heeft zij nooit geweten. Dat [naam 1] een mogelijk onbetrouwbare zakenpartner zou zijn, wist zij evenmin, aldus [gedaagde].

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat [eisers] in het licht van deze betwisting zijn stelling onvoldoende met specifieke feiten en omstandigheden heeft onderbouwd, zodat deze stelling faalt. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Betrokkenheid [gedaagde]

4.4.

Uit de door [eisers] in het geding gebrachte correspondentie (zie onder 2.5) blijkt dat [gedaagde] in ieder geval op 26 januari 2016 wetenschap had van (het voornemen van [eisers] tot) de lening en de voorwaarden daarvan, nu zij deze aan [eiser 1] heeft bevestigd. Voorts is niet in geschil dat [gedaagde] betrokken is geweest bij het schriftelijk vastleggen van de lening, althans dat zij [eiser 1] heeft geadviseerd om dit te doen. Tot slot staat vast dat [gedaagde] nadien enkele keren [eiser 1] en [naam 1] heeft ontmoet, dat zij daartoe afspraken heeft ingepland en dat [eiser 1] via haar een horloge dat betaald was door [naam 1] heeft ontvangen.

4.5.

Anders dan [eisers] stelt, kan uit de emailwisseling van 26 januari 2016 op zichzelf niet worden afgeleid dat [eiser 1] door [gedaagde] is ‘ingepakt’.

4.6.

Voort geldt dat [gedaagde] aanwezigheid bij een aantal ontmoetingen tussen [eiser 1] en [naam 1] niet relevant is voor de vraag of [gedaagde] [eiser 1] er op onrechtmatige wijze toe heeft bewogen de lening op 26 januari 2016 te verstrekken. Deze ontmoetingen hebben immers plaatsgevonden na deze datum, terwijl niet nader is gesteld dat en waarom deze nog betrekking zouden hebben op de lening van 26 januari 2016.

4.7.

Het betoog van [eisers] vindt evenmin steun in zijn stelling dat [gedaagde]

€ 200.000,- heeft ontvangen van [naam 1] als provisie voor haar bemiddeling. Deze stelling wordt betwist door [gedaagde]. Nu deze stelling slechts wordt onderbouwd door berichten die [eiser 1] zelf op 23 juli 2016 en 3 april 2017 heeft verstuurd, zonder dat [gedaagde] daar (al dan niet bevestigend) op heeft gereageerd, kan deze niet slagen.

4.8.

De omstandigheid dat [gedaagde] het horloge aan [eiser 1] heeft gegeven dat betaald is door [naam 1], kan [eiser 1] evenmin baten. [gedaagde] heeft de stelling van [eiser 1] dat zij wist dat dit horloge een cadeau betrof van [naam 1] aan [eiser 1] voor het aangaan van de lening, betwist. [eiser 1] heeft vervolgens tijdens de comparitie toegelicht dat hij het horloge, anders dan gesteld bij dagvaarding, pas heeft ontvangen als bonus voor de tweede of derde lening. Hieruit volgt dat het horloge los stond van de eerste lening, en daarmee ook los van de door [eisers] gestelde betrokkenheid van [gedaagde] bij de eerste lening.

4.9.

[eiser 1] stelt dat [gedaagde] op de hoogte had moeten zijn van het criminele verleden van [naam 1], hetgeen [gedaagde] betwist. [eiser 1] onderbouwt zijn stelling slechts met een enkele verwijzing naar inmiddels verschenen berichten uit de pers, zonder deze berichten over te leggen, dan wel nader te specificeren. Deze stelling faalt dan ook wegens onvoldoende feitelijke grondslag.

Wetenschap geestestoestand [eiser 1]

4.10.

[eisers] voert voorts ter onderbouwing van zijn stellingname aan dat [gedaagde] kennis had van de geestelijke toestand van [eiser 1] ten tijde van het aangaan van de lening van 26 januari 2016 en dat zij hem alleen al daarom had moeten beletten om de lening aan te gaan. [gedaagde] betwist dit en voert hiertoe het volgende aan. Zij wist niet dat [eiser 1] in april 2016, vlak voordat hij de lening aanging, in bewaring was gesteld. Zij wist wel dat [eiser 1] in 2013 een periode was opgenomen, maar daarna verwaterde haar vriendschap met [eiser 1] en [naam toemalige echtgenote] waardoor zij niet in detail werd geïnformeerd over [eiser 1] gezondheid. Naar [gedaagde] oordeel maakte [eiser 1] in de periode rondom de lening de indruk van een weldenkend zakenman die goed wist waar hij mee bezig was en niet die van een psychisch kwetsbaar of labiel persoon.

4.11.

Gelet op hetgeen over en weer is aangevoerd door partijen, zijn er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanwijzingen aan de hand waarvan [gedaagde] had kunnen of moeten afleiden dat [eiser 1] ten tijde van de lening (ernstige) psychische problemen had. Hoewel [eiser 1] op 15 januari 2016 gedurende zes dagen in gedwongen opname verkeerde, is deze door de rechtbank op 21 januari 2016 beëindigd vanwege het ziekte-inzicht van [eiser 1] en zijn inspanningen om zijn stoornis onder controle te houden, waaronder het nemen van medicatie (zie onder 2.4). Het provisionele bewind werd bovendien pas ingesteld nadat [eiser 1] de lening was aangegaan, op 18 april 2016. Op 2 mei 2017 werd dit bewind beëindigd en een verzoek tot ondercuratelestelling dan wel bewind afgewezen, op basis van een deskundigenrapport waarin retrospectief werd geconcludeerd dat [eiser 1] in staat was zijn belangen te begrijpen en te behartigen (zie onder 2.14). De enkele stelling van [eiser 1] dat de retrospectieve diagnose onjuist was, acht de rechtbank gelet op dit samenstel van factoren onvoldoende ter onderbouwing van zijn betoog dat [gedaagde] wist van zijn geestestoestand en dat zij hem alleen al daarom had moeten beletten om de overeenkomst met [naam 1] aan te gaan. De rechtbank kan [eisers] hierin dan ook niet volgen.

Slotsom

4.12.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de stelling van [eisers] dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld bij het aangaan van de lening, niet kan slagen. Reeds daarom kan geen sprake zijn van aansprakelijkheid van [gedaagde] op grond van onrechtmatige daad. De vorderingen van [eisers] moeten dus worden afgewezen. [eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

Proceskosten

4.13.

[gedaagde] maakt aanspraak op vergoeding van de volledige proceskosten. Zij stelt hiertoe dat [eisers] in deze procedure misleidende informatie heeft gepresenteerd en dat hij [gedaagde] ten onrechte in rechte heeft betrokken, waardoor zij forse kosten heeft moeten maken.

4.14.

De rechtbank overweegt dat een dergelijke vordering slechts voor toewijzing in aanmerking komt indien sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door een procedure aan te vangen. Daarvoor is vereist dat sprake is van een vordering die, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, in verband met de belangen van de wederpartij achterwege had moeten blijven. Hiervan kan sprake zijn als een eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende of behoorde te kennen of als op stellingen waarvan hij op voorhand had moeten begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Dit moet terughoudend worden getoetst, gelet op het recht op toegang tot de rechter zoals gewaarborgd door artikel 6 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.15.

De rechtbank is van oordeel dat niet aan het voorgaande strenge criterium is voldaan. [gedaagde] heeft onvoldoende gesteld waaruit kan worden afgeleid dat [eisers] zijn vorderingen heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen, of dat hij bij voorbaat had moeten begrijpen dat zijn vorderingen geheel kansloos waren. De proceskosten worden daarom op de gebruikelijke wijze begroot aan de hand van het liquidatietarief.

4.16.

De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 287,- aan griffierecht en € 1.086,- aan salaris advocaat (2 punten x tarief € 543,-), totaal € 1.373,-. Verder zal [eisers] worden veroordeeld in de nakosten voor zover deze op dit moment kunnen worden begroot, zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.373,-,

5.3.

veroordeelt [eisers] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eisers] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. van Eekeren, rechter, bijgestaan door mr. M.A. Kloppenburg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2018.[_a9430877-29ef-43b0-b03e-1d587fecc905]

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.