Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Amsterdam, 26 maart 2018
ECLI:NL:RBAMS:2018:4565Zaaknummer 4933456 CV EXPL 16-10076
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 26 maart 2018
- Publicatiedatum
- 29 juni 2018
- Zaaknummer
- 4933456 CV EXPL 16-10076
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Proceskosten
BESLISSING
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 400,00 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf28 februari 2016 tot aan de voldoening;
veroordeelt de vervoerder in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de passagier begroot op:
| exploot | € | 94,08 |
| salaris | € | 250,00 |
| griffierecht | € | 223,00 |
| totaal | € | 567,08 |
voor zover van toepassing, inclusief btw;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van een bedrag van€ 50,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van€ 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en de vervoerder niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
vonni•s
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 4933456 CV EXPL 16-10076
vonnis van: 26 maart 2018
fno.: 94
vonnis van de kantonrechter
Inzake
[de passagier] wonende te [woonplaats] eiser
nader te noemen: de passagier gemachtigde: mr. H. Loonstein
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht EI AI Israel Airlines LTD
gevestigd te Amstelveen gedaagde
nader te noemen: de vervoerder gemachtigde: mr. W.M. Hes
VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Op 16 oktober 2017 is een tussenvonnis gewezen waarin een comparitie van partijen is gelast.
De passagier heeft daarna bij akte zijn vordering verminderd en verzocht de comparitie te laten vervallen.
De vervoerder is daarmee akkoord gegaan.
De vervoerder heeft daarna bij akte (met producties) verzocht de passagier te veroordelen in de werkelijke proceskosten.
De passagier heeft zich daar bij antwoord-akte tegen verzet. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
1. De passagier heeft bij dagvaarding veroordeling van de vervoerder gevorderd tot betaling aan de passagier van€ 400,00 aan compensatievergoeding en€ 456,67 aan
maaltijd-, vervoers- en verblijfskosten.
3. In het tussenvonnis is al geoordeeld dat de compensatievergoeding toewijsbaar is. Deze zal dan ook thans worden toegewezen.
4. De vervoerder is de wettelijke rente over de vertragingsvergoeding verschuldigd vanaf het moment dat hij in verzuim is geraakt. Ingevolge art. 6:82 BW treedt verzuim in wanneer de vervoerder in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld. De vervoerder is op 22 februari 2016 tot betaling gesommeerd en daarbij is verzocht de vertragingsvergoeding binnen 5 dagen· te voldoen. Hieruit volgt dat de vervoerder 5 dagen na dagtekening van bovengenoemd bericht in verzuim is geraakt. De wettelijke rente is mitsdien toewijsbaar vanaf 28 februari 2016.
5. De passagier heeft de vordering met betrekking tot de overige kosten ingetrokken en zijn vordering met betrekking tot de proceskosten gehandhaafd.
6. Volgens de vervoerder dient de passagier in de werkelijke proceskosten te worden veroordeeld aangezien de passagier volgens hem misbruik heeft gemaakt van procesrecht. Het was immers voor de passagier al op voorhand duidelijk dat de vordering met betrekking tot de "overige schade" volstrekt kansloos zou zijn, des te meer nu hij al eerder had aangeboden een deel van de schadevergoeding aan de passagier te betalen.
7. De vervoerder heeft in deze procedure verweer gevoerd tegen de gevorderde compensatievergoeding. In het tussenvonnis is de vordering tot betaling van deze vergoeding toewijsbaar geacht. Nu de passagier derhalve genoodzaakt was tot het aanhangig maken van deze procedure om betaling van de compensatievergoeding te verkrijgen, zijn de proceskosten niet nodeloos gemaakt. Dit geldt des te meer nu de vervoerder alleen voor de dagvaarding een vergoeding van een deel van de overige kosten heeft aangeboden en niet is gesteld of gebleken dat hij eerder aan de passagier heeft meegedeeld ook bereid te zijn de compensatievergoeding te betalen. Dat de vordering met betrekking tot de overige kosten een (iets) groter deel van de totale vordering bedraagt maakt dit niet anders.
8. Dit leidt tot de slotsom dat de vervoerder zal worden veroordeeld in de kosten van het geding.
BESLISSING
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 400,00 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf28 februari 2016 tot aan de voldoening;
veroordeelt de vervoerder in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de passagier begroot op:
| exploot | € | 94,08 |
| salaris | € | 250,00 |
| griffierecht | € | 223,00 |
| totaal | € | 567,08 |
voor zover van toepassing, inclusief btw;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van een bedrag van€ 50,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van€ 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en de vervoerder niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.