Uitspraak · Insolventierecht
Rechtbank Alkmaar, 18 maart 1999
ECLI:NL:RBALK:1999:AF0033Zaaknummer 99.10 R
- Instantie
- Rechtbank Alkmaar
- Datum uitspraak
- 18 maart 1999
- Publicatiedatum
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 99.10 R
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Civiel recht, Insolventierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Door overdracht onderneming kort voor indiening van het verzoekschrift heeft verzoeker de schuldeisers de mogelijkheden ontnomen hun vordering te verhalen, niet te goeder trouw.
De rechtbank:
Wijst het verzoek af.
Gewezen door mr. H. Warnink, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 maart 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.
Volledige tekst
Arrondissementsrechtbank te Alkmaar
Enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken
X. geboren ... te P.
wonende ...
heeft op 2 februari 1999 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
De mondelinge behandelingen hebben plaatsgevonden op 25 februari 1999 en 11 maart 1999, waarbij verzoeker is verschenen.
Verzoeker heeft de rechtbank nog enige stukken doen toekomen.
DE BEDOORDELING VAN HET VERZOEK:
Uit de stukken en hetgeen verzoeker ter gelegenheid van de mondelinge behandelingen naar voren heeft gebracht is onder andere komen vast te staan dat verzoeker een onderneming heeft gedreven welke onderneming op 1 december 1998 met alle baten en lasten is overgedragen.
Door de overdracht van deze onderneming, kort voor de indiening van het onderhavige verzoekschrift, heeft verzoeker de schuldeisers de mogelijkheid ontnomen hun vorderingen te verhalen op de activa van die onderneming, waardoor deze schuldeisers in de uitoefening van hun recht zijn benadeeld.
Weliswaar waren de betrokken activa in pand gegeven aan de RaBo Bank te R., doch gezien de positie van onder ander De Ontvanger der Belastingen, die volgens een overgelegd schrijven van verzoeker tenminste een bedrag van f. 40.000,-- te vorderen heeft, komt het de rechtbank voor dat inderdaad van bovenbedoelde benadeling van schuldeisers sprake is.
De rechtbank acht het gezien het vorenstaande aannemelijk dat verzoeker ten aanzien van het onbetaald laten van zijn schulden niet te goeder trouw is geweest, zoals bedoeld in artikel 288 lid 2 sub b Fw.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dient derhalve te worden afgewezen.
BESLISSING
De rechtbank:
Wijst het verzoek af.
Gewezen door mr. H. Warnink, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 maart 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHAMS:1999:AE9556 http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHAMS:1999:AE9556 Gerechtshof Amsterdam, 16 april 1999 (insolventierecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.