Conclusie · Strafrecht

Parket bij de Hoge Raad, 27 oktober 2026

ECLI:NL:PHR:2026:1039Zaaknummer 24/02956

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
24/02956
Rechtsgebied
Strafrecht
Soort
Conclusie

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Uitvoer 65,65 kg MDMA na pseudokoop. 1. Hoofdelijke verbondenheid nav verbeurdverklaring. 2. Overschrijding inzendtermijn. Conclusie strekt tot vermindering van de gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn en tot verwerping van het beroep voor het overige.

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

hierna: de verdachte

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 26 juli 2024 (parketnr. 20-002280-17) door het gerechtshof 'sHertogenbosch wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar. Verder heeft het hof beslissingen genomen over aan aantal in beslag genomen voorwerpen. Ook heeft het hof een niet in beslag genomen geldbedrag van € 175.000 verbeurdverklaard.

2. Er bestaat samenhang met de zaak 24/02975. In die zaak concludeer ik vandaag ook.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat in Arnhem, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel en de bespreking daarvan

4. Met dit middel wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de verdachte en de medeverdachten hoofdelijk verbonden zijn ten aanzien van de verplichting die volgt uit de verbeurdverklaring van het geldbedrag van € 175.000, die het hof ook heeft uitgesproken in de strafzaken van de medeverdachten. De in het middel neergelegde klacht is uitsluitend gericht tegen het oordeel van het hof dat voor zover de verdachte of één van de medeverdachten de vervangende hechtenis heeft ondergaan, de andere(n) van die verplichting wordt/worden bevrijd.

5. Ik zie niet in welk belang de verdachte heeft bij deze klacht. Dat wordt in de schriftuur ook niet toegelicht.

6. Het middel faalt.

Het tweede middel

7. Het tweede middel klaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden, en slaagt.

Slotsom

8. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.

9. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat de redelijke termijn in cassatie is overschreden. Dat moet tot strafvermindering leiden. Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof gezien.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf en tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Nummer24/02956
  2. Inleiding
  3. Het eerste middel en de bespreking daarvan
  4. Het tweede middel
  5. Slotsom

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer24/02956

Zitting 27 oktober 2026

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

hierna: de verdachte

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 26 juli 2024 (parketnr. 20-002280-17) door het gerechtshof 'sHertogenbosch wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar. Verder heeft het hof beslissingen genomen over aan aantal in beslag genomen voorwerpen. Ook heeft het hof een niet in beslag genomen geldbedrag van € 175.000 verbeurdverklaard.

2. Er bestaat samenhang met de zaak 24/02975. In die zaak concludeer ik vandaag ook.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat in Arnhem, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel en de bespreking daarvan

4. Met dit middel wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de verdachte en de medeverdachten hoofdelijk verbonden zijn ten aanzien van de verplichting die volgt uit de verbeurdverklaring van het geldbedrag van € 175.000, die het hof ook heeft uitgesproken in de strafzaken van de medeverdachten. De in het middel neergelegde klacht is uitsluitend gericht tegen het oordeel van het hof dat voor zover de verdachte of één van de medeverdachten de vervangende hechtenis heeft ondergaan, de andere(n) van die verplichting wordt/worden bevrijd.

5. Ik zie niet in welk belang de verdachte heeft bij deze klacht. Dat wordt in de schriftuur ook niet toegelicht.

6. Het middel faalt.

Het tweede middel

7. Het tweede middel klaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden, en slaagt.

Slotsom

8. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.

9. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat de redelijke termijn in cassatie is overschreden. Dat moet tot strafvermindering leiden. Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof gezien.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf en tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.