Conclusie · Strafrecht
Parket bij de Hoge Raad, 3 september 2024
ECLI:NL:PHR:2024:872Zaaknummer 22/02274
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 3 september 2024
- Publicatiedatum
- 4 september 2024
- Zaaknummer
- 22/02274
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Medeplegen witwassen. Eerste middel met bewijsklacht over medeplegen faalt nu uit bewijsmiddelen volgt dat verdachte cruciale rol speelde bij Whatsappfraude door zijn bankrekening en pinpas ter beschikking te stellen aan anderen. Tweede middel over oplegging onvoorwaardelijke gevangenisstraf faalt ook. Ambtshalve opmerking overschrijding redelijke (behandel)termijn in cassatiefase. Conclusie strekt tot verwerping cassatieberoep.
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 16 juni 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens "medeplegen van witwassen", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand. Daarnaast heeft het hof aan de verdachte twee schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. A. Darrazi, advocaat in Tilburg, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
3. Het eerste middel komt met een motiveringsklacht op tegen de bewezenverklaring van medeplegen.[_9712cf30-6455-4dd1-a391-3e427a90a8db] Daartoe wordt aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte “tezamen en in vereniging” handelde en dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat de verdachte door het beschikbaar stellen van zijn bankrekening en pinpas een wezenlijke bijdrage aan het witwassen heeft geleverd.
4. Uit de vijf door het hof gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte – voor het doorsluizen van geld dat werd verkregen door WhatsApp-fraude – zijn bankrekening en pinpas ter beschikking heeft gesteld aan anderen. Al het geld ging over zijn bankrekening. Uit die bewijsmiddelen heeft het hof m.i. kunnen afleiden dat de verdachte een cruciale rol heeft vervuld bij het verwerven, voorhanden hebben en omzetten van het geld. Het middel faalt.
Het tweede middel
5. Het tweede middel bevat de klacht dat de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd is, gelet op het verzoek van de verdediging om de verdachte vanwege persoonlijke omstandigheden een taakstraf op te leggen.
6. Ook dit middel faalt. In zijn strafmotivering heeft het hof op begrijpelijke wijze uiteengezet dat het heeft gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, alsmede dat en waarom het hof desondanks van oordeel is dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf voor de duur van één maand.
Slotsom
7. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
8. Ambtshalve merk ik op dat de redelijke termijn in cassatie is verstreken op 22 juni 2022. Gelet op de hoogte van de opgelegde straf kan worden volstaan met de constatering daarvan.
9. Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.
10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02274
Zitting 3 september 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 16 juni 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens "medeplegen van witwassen", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand. Daarnaast heeft het hof aan de verdachte twee schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. A. Darrazi, advocaat in Tilburg, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
3. Het eerste middel komt met een motiveringsklacht op tegen de bewezenverklaring van medeplegen.[_9712cf30-6455-4dd1-a391-3e427a90a8db] Daartoe wordt aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte “tezamen en in vereniging” handelde en dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat de verdachte door het beschikbaar stellen van zijn bankrekening en pinpas een wezenlijke bijdrage aan het witwassen heeft geleverd.
4. Uit de vijf door het hof gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte – voor het doorsluizen van geld dat werd verkregen door WhatsApp-fraude – zijn bankrekening en pinpas ter beschikking heeft gesteld aan anderen. Al het geld ging over zijn bankrekening. Uit die bewijsmiddelen heeft het hof m.i. kunnen afleiden dat de verdachte een cruciale rol heeft vervuld bij het verwerven, voorhanden hebben en omzetten van het geld. Het middel faalt.
Het tweede middel
5. Het tweede middel bevat de klacht dat de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd is, gelet op het verzoek van de verdediging om de verdachte vanwege persoonlijke omstandigheden een taakstraf op te leggen.
6. Ook dit middel faalt. In zijn strafmotivering heeft het hof op begrijpelijke wijze uiteengezet dat het heeft gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, alsmede dat en waarom het hof desondanks van oordeel is dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf voor de duur van één maand.
Slotsom
7. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
8. Ambtshalve merk ik op dat de redelijke termijn in cassatie is verstreken op 22 juni 2022. Gelet op de hoogte van de opgelegde straf kan worden volstaan met de constatering daarvan.
9. Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.
10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:2024:1528 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2024:1528 Hoge Raad, 5 november 2024 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.