Conclusie · Strafrecht

Parket bij de Hoge Raad, 9 april 2024

ECLI:NL:PHR:2024:330Zaaknummer 22/04286

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
9 april 2024
Publicatiedatum
18 juni 2024
Zaaknummer
22/04286
Rechtsgebied
Strafrecht
Soort
Conclusie

Inhoudsindicatie

Conclusie plv. AG. Klacht over ontbreken bepaling in dictum dat toegewezen vordering benadeelde partij en opgelegde schadevergoedingsmaatregel alternatieve betalingsverplichtingen in het leven roepen. Conclusie strekt tot vernietiging van het arrest op dit punt waarna de Hoge Raad de zaak zeff zou kunnen afdoen.

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1

De verdachte is bij arrest van 16 november 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch in de zaak met parketnummer 02-036339-22 wegens "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht", veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie weken, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

2.1

Het middel bevat de klacht dat het gerechtshof heeft verzuimd in het arrest op te nemen dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij in zoverre de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, en andersom.

2.2

Het middel is terecht voorgesteld. Het hof heeft immers in zijn arrest afzonderlijk de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen “tot het bedrag” van € 750,00. Daarnaast heeft het hof voor hetzelfde bedrag aan de verdachte een verplichting opgelegd om ten behoeve van het slachtoffer (genaamd [slachtoffer]) een even hoog bedrag aan de Staat te betalen. Het hof heeft daarbij evenwel verzuimd om in het arrest op te nemen dat het hier een alternatieve vergoedingsplicht betreft.

2.3

De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door te doen wat het hof had behoren te doen (vgl. HR 10 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:3, en eerder al HR 12 januari 1999, NJ 1999/246).

Afronding

3.1

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

3.2

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor zover deze niet een alternatieve vergoedingsplicht bevat. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door te bepalen dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] in zoverre de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij doet vervallen, en dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij in zoverre de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Nummer22/04286
  2. Inleiding
  3. Het middel
  4. Afronding

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/04286

Zitting 9 april 2024

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1

De verdachte is bij arrest van 16 november 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch in de zaak met parketnummer 02-036339-22 wegens "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht", veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie weken, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

2.1

Het middel bevat de klacht dat het gerechtshof heeft verzuimd in het arrest op te nemen dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij in zoverre de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, en andersom.

2.2

Het middel is terecht voorgesteld. Het hof heeft immers in zijn arrest afzonderlijk de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen “tot het bedrag” van € 750,00. Daarnaast heeft het hof voor hetzelfde bedrag aan de verdachte een verplichting opgelegd om ten behoeve van het slachtoffer (genaamd [slachtoffer]) een even hoog bedrag aan de Staat te betalen. Het hof heeft daarbij evenwel verzuimd om in het arrest op te nemen dat het hier een alternatieve vergoedingsplicht betreft.

2.3

De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door te doen wat het hof had behoren te doen (vgl. HR 10 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:3, en eerder al HR 12 januari 1999, NJ 1999/246).

Afronding

3.1

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

3.2

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor zover deze niet een alternatieve vergoedingsplicht bevat. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door te bepalen dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] in zoverre de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij doet vervallen, en dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij in zoverre de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

Samenhangende uitspraken

Deze uitspraak verwijst naar

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.