Conclusie · Strafrecht

Parket bij de Hoge Raad, 24 september 2024

ECLI:NL:PHR:2024:1222Zaaknummer 22/01868

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24 september 2024
Publicatiedatum
12 november 2024
Zaaknummer
22/01868
Rechtsgebied
Strafrecht
Soort
Conclusie

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Samenhangende peek met de zaak 22/01867

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[betrokkene],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

hierna: de betrokkene

  • Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 12 mei 2022 het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 14 september 2021 bevestigd. Bij dat vonnis heeft de rechtbank het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 164.773,00 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 164.773,00 aan de Staat ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen.
  • Er bestaat samenhang met de zaak 22/01867. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
  • Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv, is op 17 december 2022 in persoon betekend. Namens de betrokkene is binnen de termijn, omschreven in art. 437, tweede lid, Sv geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
  • Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 511h jo. art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
  • Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. PROCUREUR-GENERAAL
  2. BIJ DE
  3. CONCLUSIE
  4. AG

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 22/01868 P

Zitting 24 september 2024

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[betrokkene],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

hierna: de betrokkene

  • Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 12 mei 2022 het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 14 september 2021 bevestigd. Bij dat vonnis heeft de rechtbank het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 164.773,00 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 164.773,00 aan de Staat ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen.
  • Er bestaat samenhang met de zaak 22/01867. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
  • Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv, is op 17 december 2022 in persoon betekend. Namens de betrokkene is binnen de termijn, omschreven in art. 437, tweede lid, Sv geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
  • Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 511h jo. art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
  • Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.