Conclusie · Strafrecht

Parket bij de Hoge Raad, 12 november 2024

ECLI:NL:PHR:2024:1147Zaaknummer 23/01253

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
12 november 2024
Publicatiedatum
21 januari 2025
Zaaknummer
23/01253
Rechtsgebied
Strafrecht
Soort
Conclusie

Inhoudsindicatie

Conclusie plv. AG. Jaddoe. M1: middel over niet voorhouden van voor bewijs gebezigd NFI-rapport faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. M2: inzendtermijn. Conclusie strekt tot vernietiging, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1

De verdachte is – nadat hij in eerste aanleg door de rechtbank integraal was vrijgesproken van het hem tenlastegelegde[_922d48d5-d294-48c0-b633-686beadf9ac8] – bij arrest van 21 maart 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens "diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van voorarrest.

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.A.J. Verploegh, advocaat in 's‑Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

2.1

Het middel valt uiteen in twee deelklachten en klaagt – althans zo begrijp ik – dat i) de resultaten van het (door het NFI verrichte) DNA-onderzoek waarop de bewezenverklaring uitsluitend of in beslissende mate is gebaseerd door het hof niet aan de verdachte zijn voorgehouden en dat ii) het hof heeft nagelaten de verdachte expliciet in de gelegenheid te stellen om voor die resultaten een aannemelijke, ontzenuwende verklaring te geven.

2.2

De eerste deelklacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 maart 2023 houdt immers in dat – zo wordt door de steller van het middel ook erkend – het betreffende NFI-rapport aan het dossier is toegevoegd en dat “de voorzitter kort de stukken voor[houdt] van de zaak voor zover betrekking hebbend op het laste gelegde” en “de advocaat-generaal en de raadsvrouw [desgevraagd] mede[delen] dat het dossier met betrekking tot het ten laste gelegde voldoende is besproken en dat alle stukken in het dossier voor zover hierop betrekking hebbend bekend zijn en als volledig voorgehouden kunnen worden beschouwd”.

2.3

Voornoemd proces-verbaal houdt bovendien in dat de door de verdachte uitdrukkelijk gemachtigde raadsvrouw aldaar naar voren heeft gebracht dat zij “bevestiging [ik, MvW, begrijp: van het tot vrijspraak strekkende vonnis] [vraagt] ondanks het, redelijk laat aan het dossier toegevoegde, DNA-rapport”, zodat het ervoor moet worden gehouden dat door de verdediging op de in het middel genoemde resultaten daadwerkelijk acht is geslagen en de verdediging daar dus op kon reageren.[_81fd1b65-1199-497d-b5fd-772335265d14]

2.4

De tweede deelklacht faalt eveneens, nu daarmee een eis wordt gesteld die het recht niet kent.

2.5

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

Het tweede middel

3.1

Het middel klaagt dat de inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden.

3.2

Door de verdachte is op 30 maart 2023 cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft de gedingstukken op 15 mei 2024 ontvangen. De redelijke termijn voor het inzenden van de stukken is daarmee met ruim vijf maanden overschreden. Deze overschrijding kan niet meer worden gecompenseerd door een voortvarende afdoening, zodat deze zaak in aanmerking komt voor strafvermindering.

Afronding

4.1

Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt.

4.2

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

4.3

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Nummer23/01253
  2. Inleiding
  3. Het eerste middel
  4. Het tweede middel
  5. Afronding

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/01253

Zitting 12 november 2024

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1

De verdachte is – nadat hij in eerste aanleg door de rechtbank integraal was vrijgesproken van het hem tenlastegelegde[_922d48d5-d294-48c0-b633-686beadf9ac8] – bij arrest van 21 maart 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens "diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van voorarrest.

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.A.J. Verploegh, advocaat in 's‑Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

2.1

Het middel valt uiteen in twee deelklachten en klaagt – althans zo begrijp ik – dat i) de resultaten van het (door het NFI verrichte) DNA-onderzoek waarop de bewezenverklaring uitsluitend of in beslissende mate is gebaseerd door het hof niet aan de verdachte zijn voorgehouden en dat ii) het hof heeft nagelaten de verdachte expliciet in de gelegenheid te stellen om voor die resultaten een aannemelijke, ontzenuwende verklaring te geven.

2.2

De eerste deelklacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 maart 2023 houdt immers in dat – zo wordt door de steller van het middel ook erkend – het betreffende NFI-rapport aan het dossier is toegevoegd en dat “de voorzitter kort de stukken voor[houdt] van de zaak voor zover betrekking hebbend op het laste gelegde” en “de advocaat-generaal en de raadsvrouw [desgevraagd] mede[delen] dat het dossier met betrekking tot het ten laste gelegde voldoende is besproken en dat alle stukken in het dossier voor zover hierop betrekking hebbend bekend zijn en als volledig voorgehouden kunnen worden beschouwd”.

2.3

Voornoemd proces-verbaal houdt bovendien in dat de door de verdachte uitdrukkelijk gemachtigde raadsvrouw aldaar naar voren heeft gebracht dat zij “bevestiging [ik, MvW, begrijp: van het tot vrijspraak strekkende vonnis] [vraagt] ondanks het, redelijk laat aan het dossier toegevoegde, DNA-rapport”, zodat het ervoor moet worden gehouden dat door de verdediging op de in het middel genoemde resultaten daadwerkelijk acht is geslagen en de verdediging daar dus op kon reageren.[_81fd1b65-1199-497d-b5fd-772335265d14]

2.4

De tweede deelklacht faalt eveneens, nu daarmee een eis wordt gesteld die het recht niet kent.

2.5

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

Het tweede middel

3.1

Het middel klaagt dat de inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden.

3.2

Door de verdachte is op 30 maart 2023 cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft de gedingstukken op 15 mei 2024 ontvangen. De redelijke termijn voor het inzenden van de stukken is daarmee met ruim vijf maanden overschreden. Deze overschrijding kan niet meer worden gecompenseerd door een voortvarende afdoening, zodat deze zaak in aanmerking komt voor strafvermindering.

Afronding

4.1

Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt.

4.2

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

4.3

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

Samenhangende uitspraken

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.