Conclusie · Strafrecht

Parket bij de Hoge Raad, 17 oktober 2023

ECLI:NL:PHR:2023:926Zaaknummer 22/00309

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17 oktober 2023
Publicatiedatum
5 december 2023
Zaaknummer
22/00309
Rechtsgebied
Strafrecht
Soort
Conclusie

Inhoudsindicatie

Conclusie plv. AG. Veroordeling wegens 1. medeplichtigheid tot opzettelijk telen van hennep (art. 3 onder B Opiumwet) en 2. medeplegen van het opzettelijk telen van hennep (art. 3 onder B Opiumwet). 1. Middel over onjuiste beëdiging raadsheren gerechtshof en 2. middel over onjuiste beëdiging advocaat-generaal hof. Conclusie strekt tot verwerping. Samenhang met 22/00239 en 22/00284.

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1

De verdachte is bij arrest van 17 januari 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. subsidiair "medeplichtigheid tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod" en 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot één maand gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.

1.2

Er bestaat samenhang met de zaken 22/00239 en 22/00284. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

1.3

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J. van Rooijen, advocaat te Tilburg, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Ik bespreek beide middelen gezamenlijk.

De middelen

2.1

Het eerste middel bevat de klacht dat het hof een ongeldig arrest heeft gewezen, omdat is gebleken dat een of meer raadsheren die de zaak hebben behandeld en die verantwoordelijk zijn voor het arrest, niet (op een juiste wijze) waren beëdigd. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof een ongeldig arrest heeft gewezen, omdat is gebleken dat de advocaatgeneraal die betrokken was bij de onderhavige zaak die heeft geleid tot het arrest van het hof van 17 januari 2022, niet (op een juiste wijze) was beëdigd.

2.2

Beide middelen kunnen niet slagen, gelet op de gronden vermeld in HR 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1438, rechtsoverwegingen 5.2.1 tot en met 5.3 en 5.4.2 tot en met 5.7, wat betreft de raadsheren, en 5.10.1 tot en met 5.10.3, wat betreft de advocaat-generaal.

Afronding

3.1

Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met een motivering ontleend aan art. 81 lid 1 RO.

3.2

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

3.3

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Nummer22/00309
  2. Inleiding
  3. De middelen
  4. Afronding

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/00309

Zitting 17 oktober 2023

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1

De verdachte is bij arrest van 17 januari 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. subsidiair "medeplichtigheid tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod" en 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot één maand gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.

1.2

Er bestaat samenhang met de zaken 22/00239 en 22/00284. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

1.3

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J. van Rooijen, advocaat te Tilburg, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Ik bespreek beide middelen gezamenlijk.

De middelen

2.1

Het eerste middel bevat de klacht dat het hof een ongeldig arrest heeft gewezen, omdat is gebleken dat een of meer raadsheren die de zaak hebben behandeld en die verantwoordelijk zijn voor het arrest, niet (op een juiste wijze) waren beëdigd. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof een ongeldig arrest heeft gewezen, omdat is gebleken dat de advocaatgeneraal die betrokken was bij de onderhavige zaak die heeft geleid tot het arrest van het hof van 17 januari 2022, niet (op een juiste wijze) was beëdigd.

2.2

Beide middelen kunnen niet slagen, gelet op de gronden vermeld in HR 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1438, rechtsoverwegingen 5.2.1 tot en met 5.3 en 5.4.2 tot en met 5.7, wat betreft de raadsheren, en 5.10.1 tot en met 5.10.3, wat betreft de advocaat-generaal.

Afronding

3.1

Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met een motivering ontleend aan art. 81 lid 1 RO.

3.2

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

3.3

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Deze uitspraak verwijst naar

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.