Conclusie · Strafrecht
Parket bij de Hoge Raad, 22 juni 2021
ECLI:NL:PHR:2021:838Zaaknummer 19/04937
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 22 juni 2021
- Publicatiedatum
- 21 september 2021
- Zaaknummer
- 19/04937
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 19/04135.
CONCLUSIE
P.C. Vegter
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
1. De verdachte is bij arrest van 2 september 2019 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1 primair: “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en 2 primair: “diefstal door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot 80 uur werkstraf, subsidiair 40 dagen hechtenis en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken, met een proeftijd van twee jaren.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 19/04135. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Er is geen schriftuur ingediend.
4. De aanzegging in cassatie is op 4 augustus 20208 uitgereikt aan een huisgenoot. Aldus is de aanzegging overeenkomstig art. 588, eerste lid, sub b, Sv rechtsgeldig betekend.
5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv niet in acht genomen, zodat de verdachte niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/04937
Zitting 22 juni 2021 (bij vervroeging)
CONCLUSIE
P.C. Vegter
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
1. De verdachte is bij arrest van 2 september 2019 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1 primair: “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en 2 primair: “diefstal door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot 80 uur werkstraf, subsidiair 40 dagen hechtenis en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken, met een proeftijd van twee jaren.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 19/04135. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Er is geen schriftuur ingediend.
4. De aanzegging in cassatie is op 4 augustus 20208 uitgereikt aan een huisgenoot. Aldus is de aanzegging overeenkomstig art. 588, eerste lid, sub b, Sv rechtsgeldig betekend.
5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv niet in acht genomen, zodat de verdachte niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 588 Sv
- Artikel 437 Sv meer uitspraken over dit artikel
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:2021:1283 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2021:1283 Hoge Raad, 21 september 2021 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.