Conclusie · Strafrecht
Parket bij de Hoge Raad, 23 juni 2020
ECLI:NL:PHR:2020:824Zaaknummer 18/02596
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 23 juni 2020
- Publicatiedatum
- 23 september 2020
- Zaaknummer
- 18/02596
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 18/02568 en 18/02667.
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
- De verdachte is bij arrest van 5 juni 2018 door het Gerechtshof Amsterdam wegens het onder 3 bewezenverklaarde ‘deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’ veroordeeld tot 20 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27(a) Sr en een geldboete van € 20.000,00 subsidiair 135 dagen hechtenis.
- Er bestaat samenhang met de zaken 18/02568 en 18/02667. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 7 januari 2020 betekend. Namens de verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. Op 4 maart 2020 is op de griffie van de Hoge Raad een brief ingekomen. In die brief deelt mr. J. Groenhuijsen, advocaat te Amsterdam, mee dat hij namens de verdachte geen middelen tot cassatie zal voorstellen.
4. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het ingestelde beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 18/02596
Zitting 23 juni 2020
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
- De verdachte is bij arrest van 5 juni 2018 door het Gerechtshof Amsterdam wegens het onder 3 bewezenverklaarde ‘deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’ veroordeeld tot 20 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27(a) Sr en een geldboete van € 20.000,00 subsidiair 135 dagen hechtenis.
- Er bestaat samenhang met de zaken 18/02568 en 18/02667. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 7 januari 2020 betekend. Namens de verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. Op 4 maart 2020 is op de griffie van de Hoge Raad een brief ingekomen. In die brief deelt mr. J. Groenhuijsen, advocaat te Amsterdam, mee dat hij namens de verdachte geen middelen tot cassatie zal voorstellen.
4. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het ingestelde beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:2020:1464 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2020:1464 Hoge Raad, 22 september 2020 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.