Conclusie · Strafrecht

Parket bij de Hoge Raad, 8 december 2020

ECLI:NL:PHR:2020:1250Zaaknummer 20/00800

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
8 december 2020
Publicatiedatum
9 februari 2021
Zaaknummer
20/00800
Rechtsgebied
Strafrecht
Soort
Conclusie

Inhoudsindicatie

Strafmotivering, art. 359.6 Sv. Hof heeft verdachte veroordeeld tot gevangenisstraf van 4 weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, maar strafmotivering bevat geen opgave van redenen die i.h.b. hebben geleid tot keuze van het opleggen van vrijheidsbenemende straf. Dat is in strijd met art. 359.6 Sv. Verzuim leidt o.g.v. art. 359.8 Sv tot nietigheid (vgl. ECLI:NL:HR:2016:2191). Volgt partiële vernietiging t.a.v. strafoplegging en terugwijzing.

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

hierna: de verdachte.

  • De verdachte is bij arrest van 20 februari 2020 door het Gerechtshof Amsterdam wegens ‘overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994’, veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf, waarvan twee weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
  • Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot de keuze van oplegging van een straf die vrijheidsbeneming meebrengt.

4. Het hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:

'De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde vrijgesproken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken waarvan twee weken voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaren.

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de verdachte veel fysieke klachten heeft en in behandeling is bij een neuroloog. De verdachte wordt daarnaast begeleid door Florijn, een organisatie voor mensen met een licht verstandelijke beperking. Gelet hierop is de eis van de advocaat-generaal volgens de raadsman niet passend.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft een auto bestuurd terwijl een ingevorderd en voor alle categorieën geschorst rijbewijs niet aan hem was teruggegeven. Hij heeft daarmee getoond zich niets aan te trekken van door het bevoegd gezag genomen beslissingen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 29 januari 2020 is hij eerder ter zake van verkeersgerelateerde strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld, in het bijzonder voor het rijden in een motorrijtuig terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd, hetgeen sterk in zijn nadeel weegt. Die eerdere veroordelingen hebben hem er kennelijk ook nu niet van weerhouden zich (BFK: niet) aan de regels te houden.

Op grond van het vorenstaande acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde straf passend en geboden. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof geen aanleiding om tot een andere of lagere straf te komen.’

5. Op grond van art. 359, zesde lid, Sv dient de rechter bij de oplegging van een vrijheidsbenemende straf of maatregel in het bijzonder de redenen op te geven die tot de keuze van die straf of maatregel hebben geleid. Daarnaast dient de rechter op grond van deze bepaling zoveel mogelijk de omstandigheden aan te geven waarop bij de vaststelling van de duur van die vrijheidsbenemende straf is gelet. De strekking van deze bepaling is dat de oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf door de rechter steeds een punt van aparte en nadere afweging dient te zijn.[_6ed2614d-b871-4f06-8e19-3f27c0ff053a] Uit de rechtspraak van Uw Raad volgt dat dit vereiste aldus is ingevuld dat uit de strafmotivering expliciet moet blijken dat de rechter onder ogen heeft gezien dat hij een straf of maatregel oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt door in de strafmotivering tot uitdrukking te brengen dat een dergelijke sanctie wordt opgelegd en die sanctieoplegging te verbinden met in de strafmotivering opgegeven redenen.[_b126403a-0860-4eea-a085-5695fb999991]

6. Het hof heeft een gevangenisstraf opgelegd van vier weken, waarvan twee weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Ten aanzien van de oplegging van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft het hof overwogen dat de ‘de door de advocaat-generaal gevorderde straf passend en geboden’ is. Deze overweging bevat, in strijd met art. 359, zesde lid, Sv geen opgave van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Een verwijzing naar de door de advocaat-generaal gevorderde straf volstaat daartoe niet, ook al is de gevorderde gevangenisstraf in de strafmotivering weergegeven.[_bc338566-81ef-426c-a18f-fea6444e094d] Het verzuim leidt ingevolge art. 359, achtste lid, Sv tot nietigheid.

7. Het middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. PROCUREUR-GENERAAL
  2. BIJ DE
  3. CONCLUSIE
  4. AG

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/00800

Zitting 8 december 2020

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

hierna: de verdachte.

  • De verdachte is bij arrest van 20 februari 2020 door het Gerechtshof Amsterdam wegens ‘overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994’, veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf, waarvan twee weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
  • Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot de keuze van oplegging van een straf die vrijheidsbeneming meebrengt.

4. Het hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:

'De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde vrijgesproken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken waarvan twee weken voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaren.

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de verdachte veel fysieke klachten heeft en in behandeling is bij een neuroloog. De verdachte wordt daarnaast begeleid door Florijn, een organisatie voor mensen met een licht verstandelijke beperking. Gelet hierop is de eis van de advocaat-generaal volgens de raadsman niet passend.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft een auto bestuurd terwijl een ingevorderd en voor alle categorieën geschorst rijbewijs niet aan hem was teruggegeven. Hij heeft daarmee getoond zich niets aan te trekken van door het bevoegd gezag genomen beslissingen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 29 januari 2020 is hij eerder ter zake van verkeersgerelateerde strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld, in het bijzonder voor het rijden in een motorrijtuig terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd, hetgeen sterk in zijn nadeel weegt. Die eerdere veroordelingen hebben hem er kennelijk ook nu niet van weerhouden zich (BFK: niet) aan de regels te houden.

Op grond van het vorenstaande acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde straf passend en geboden. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof geen aanleiding om tot een andere of lagere straf te komen.’

5. Op grond van art. 359, zesde lid, Sv dient de rechter bij de oplegging van een vrijheidsbenemende straf of maatregel in het bijzonder de redenen op te geven die tot de keuze van die straf of maatregel hebben geleid. Daarnaast dient de rechter op grond van deze bepaling zoveel mogelijk de omstandigheden aan te geven waarop bij de vaststelling van de duur van die vrijheidsbenemende straf is gelet. De strekking van deze bepaling is dat de oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf door de rechter steeds een punt van aparte en nadere afweging dient te zijn.[_6ed2614d-b871-4f06-8e19-3f27c0ff053a] Uit de rechtspraak van Uw Raad volgt dat dit vereiste aldus is ingevuld dat uit de strafmotivering expliciet moet blijken dat de rechter onder ogen heeft gezien dat hij een straf of maatregel oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt door in de strafmotivering tot uitdrukking te brengen dat een dergelijke sanctie wordt opgelegd en die sanctieoplegging te verbinden met in de strafmotivering opgegeven redenen.[_b126403a-0860-4eea-a085-5695fb999991]

6. Het hof heeft een gevangenisstraf opgelegd van vier weken, waarvan twee weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Ten aanzien van de oplegging van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft het hof overwogen dat de ‘de door de advocaat-generaal gevorderde straf passend en geboden’ is. Deze overweging bevat, in strijd met art. 359, zesde lid, Sv geen opgave van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Een verwijzing naar de door de advocaat-generaal gevorderde straf volstaat daartoe niet, ook al is de gevorderde gevangenisstraf in de strafmotivering weergegeven.[_bc338566-81ef-426c-a18f-fea6444e094d] Het verzuim leidt ingevolge art. 359, achtste lid, Sv tot nietigheid.

7. Het middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.