Conclusie · Strafrecht
Parket bij de Hoge Raad, 8 januari 2019
ECLI:NL:PHR:2019:162Zaaknummer 18/00776
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 8 januari 2019
- Publicatiedatum
- 19 februari 2019
- Zaaknummer
- 18/00776
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Beklag ex art. 164 lid 8 WVW 1994 strekkende tot teruggave aan klager van zijn ingevorderde en door het openbaar ministerie ingehouden rijbewijs. Volgens de AG moet het ervoor worden gehouden dat de klager geen belang meer heeft bij het cassatieberoep omdat van inhouding van het rijbewijs op grond van art. 164 lid 4 WVW 1994 vanaf 23 augustus 2018 – het tijdstip waarop de termijn van de inhouding is verlopen – geen sprake meer is geweest. De AG stelt zich op het standpunt dat de klager niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
Volledige tekst
| Nr. 18/00776 B Zitting: 8 januari 2019 | Mr. G. Knigge Conclusie inzake: [klager] |
- De rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, heeft bij beschikking van 7 februari 2018 het klaagschrift van de klager ex. art. 164 lid 8 WVW 1994, strekkende tot teruggave van zijn ingevorderde en door het openbaar ministerie ingehouden rijbewijs, ongegrond verklaard.
- Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
- Ontvankelijkheid van het beroep
3.1. Ambtshalve vestig ik de aandacht op het volgende. In het aan de Hoge Raad toegezonden dossier bevindt zich de ‘Beslissing bij invordering rijbewijs’ van de officier van justitie waaruit volgt dat het rijbewijs van de klager op 27 december 2017 voor de periode van acht maanden is ingehouden, onder vermelding van “Inhouden uiterlijk tot: 23 augustus 2018”. Uit namens mij bij het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant en de CVOM ingewonnen inlichtingen is gebleken dat de klager op 27 maart 2018 door de politierechter in de rechtbank Zeeland-Wets-Brabant is veroordeeld tot onder meer een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van acht maanden en dat de klager tegen deze veroordeling tijdig hoger beroep heeft ingesteld. Voorts is uit de ingewonnen informatie gebleken dat het rijbewijs op 22 augustus 2018 is verzonden aan het CBR ten behoeve van een aldaar nog openstaande vordering en dat op diezelfde dag een brief ‘Kennisgeving einde ontzegging rijbevoegdheid’ is aangemaakt.
3.2. In cassatie kan niet als vaststaand worden aangenomen dat de klager zijn rijbewijs inmiddels heeft teruggekregen.[_37b9be45-f935-4b4e-87be-905689e52e4a] Desondanks moet het ervoor worden gehouden dat de klager geen belang meer heeft bij het onderhavige cassatieberoep. Daarbij kan in het midden blijven op welke grond het CBR het rijbewijs van klager onder zich is gaan houden.[_c0f1f962-d2f0-4b8b-b32b-625161db862c] Vast staat immers dat van inhouding van het rijbewijs op grond van art. 164 lid 4 WVW 1994 vanaf 23 augustus 2018 geen sprake meer is geweest. Een eventuele vernietiging van de bestreden beschikking kan daardoor geen verandering brengen in de rechtspositie van de klager met betrekking tot het rijbewijs.
4. Deze conclusie strekt ertoe dat de klager in het cassatieberoep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:2019:248 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2019:248 Hoge Raad, 19 februari 2019 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.