Conclusie · Civiel recht

Parket bij de Hoge Raad, 22 april 2016

ECLI:NL:PHR:2016:528Zaaknummer 16/01358

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22 april 2016
Publicatiedatum
24 juni 2016
Zaaknummer
16/01358
Rechtsgebied
Civiel recht
Soort
Conclusie

Inhoudsindicatie

Cassatieprocesrecht. Art. 426a lid 1 Rv. Niet-ontvankelijkheid. Verzoekschrift niet ondertekend door advocaat bij de Hoge Raad.

Conclusie inzake:

[verzoekster]

tegen

Immigratie- en Naturalisatiedienst) Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie

1. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank Den Haag op 19 mei 2014, heeft verzoekster tot cassatie (hierna: verzoekster), vertegenwoordigd door mr. N. van Bremen, advocaat te Rotterdam, de rechtbank verzocht vast te stellen dat zij de Nederlandse nationaliteit bezit. De rechtbank heeft dit verzoek bij beschikking van 10 december 2015 afgewezen.

2. Bij cassatieschriftuur, gedateerd en per fax ingediend op 10 maart 2016 en ondertekend door mr. Van Bremen, heeft verzoekster te kennen gegeven beroep in cassatie te willen instellen tegen de onder 1 genoemde beschikking.

3. De griffie van de Hoge Raad heeft mr. Van Bremen, die geen cassatieadvocaat is, op 11 maart 2016 bericht dat een procespartij voor het instellen van beroep in cassatie in een civiele zaak juridische bijstand behoeft van een advocaat, ingeschreven bij de Hoge Raad der Nederlanden te ’s-Gravenhage en voorts dat dit verzuim kan worden hersteld door hetzelfde verzoekschrift binnen twee weken na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad opnieuw in te dienen, maar nu ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad.

4. Het verzuim is niet hersteld, zodat niet is voldaan aan het vereiste in art. 426a Rv.

5. De conclusie strekt derhalve tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in haar cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Volledige tekst

Zaaknr: 16/01358

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 22 april 2016

Conclusie inzake:

[verzoekster]

tegen

Immigratie- en Naturalisatiedienst) Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie

1. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank Den Haag op 19 mei 2014, heeft verzoekster tot cassatie (hierna: verzoekster), vertegenwoordigd door mr. N. van Bremen, advocaat te Rotterdam, de rechtbank verzocht vast te stellen dat zij de Nederlandse nationaliteit bezit. De rechtbank heeft dit verzoek bij beschikking van 10 december 2015 afgewezen.

2. Bij cassatieschriftuur, gedateerd en per fax ingediend op 10 maart 2016 en ondertekend door mr. Van Bremen, heeft verzoekster te kennen gegeven beroep in cassatie te willen instellen tegen de onder 1 genoemde beschikking.

3. De griffie van de Hoge Raad heeft mr. Van Bremen, die geen cassatieadvocaat is, op 11 maart 2016 bericht dat een procespartij voor het instellen van beroep in cassatie in een civiele zaak juridische bijstand behoeft van een advocaat, ingeschreven bij de Hoge Raad der Nederlanden te ’s-Gravenhage en voorts dat dit verzuim kan worden hersteld door hetzelfde verzoekschrift binnen twee weken na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad opnieuw in te dienen, maar nu ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad.

4. Het verzuim is niet hersteld, zodat niet is voldaan aan het vereiste in art. 426a Rv.

5. De conclusie strekt derhalve tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in haar cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.