Conclusie · Strafrecht
Parket bij de Hoge Raad, 22 maart 2016
ECLI:NL:PHR:2016:276Zaaknummer 15/01917
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 22 maart 2016
- Publicatiedatum
- 19 april 2016
- Zaaknummer
- 15/01917
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
Onderzoek ter terechtzitting in het openbaar? Art. 6.1 EVRM; art. 121 GW; art. 4 RO; art. 269 Sv. Het p.v. van de t.z. hoger beroep houdt niet in dat het aldaar plaatsgevonden onderzoek in het openbaar is geschied. Uit de parlementaire geschiedenis (HR 4 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5346, NJ 2000/633) kan niet anders worden afgeleid dan dat de wetgever een strikte handhaving heeft beoogd van wettelijke uitzonderingen op het beginsel dat terechtzittingen met uitzonderingen van de gevallen bij de wet bepaald in het openbaar plaatsvinden. Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG: anders.
Volledige tekst
| Nr. 15/01917 Zitting: 22 maart 2016 | Mr. W.H. Vellinga Conclusie inzake: [verdachte] |
- De verdachte is bij arrest van 15 april 2015 door het Gerechtshof Den Haag wegens “diefstal, vergezeld van geweld en gevolgd door bedreiging met geweld”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. Voorts bevat het arrest een bijkomende beslissing als in het arrest vermeld.
- Namens de verdachte heeft Mr. M.W. Stoet, advocaat te 's-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.
- Het middel houdt in dat noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting noch uit het arrest blijkt dat het onderzoek ter terechtzitting in het openbaar heeft plaatsgevonden en dat het er derhalve voor moet worden gehouden dat het niet in het openbaar heeft plaatsgevonden.
- Door of namens verdachte wordt - hoewel verdachtes toenmalige raadsman aldaar aanwezig was en het woord heeft gevoerd en dus voor de verdachte te achterhalen valt of het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep al dan niet in het openbaar heeft plaatsgevonden - niet gesteld dat het onderzoek ter terechtzitting niet in het openbaar heeft plaatsgevonden. Voorts heeft verdachtes toenmalige raadsman daarover ter terechtzitting in hoger beroep niet geklaagd. Verdachte heeft niet duidelijk gemaakt waarin desalniettemin zijn belang bij de onderhavige klacht is gelegen.
- Uit een en ander volgt dat de aangevoerde klacht geen behandeling in cassatie rechtvaardigt, omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep.
- Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:2016:689 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2016:689 Hoge Raad, 19 april 2016 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.