Conclusie · Strafrecht

Parket bij de Hoge Raad, 27 augustus 2013

ECLI:NL:PHR:2013:971Zaaknummer 12/02007

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27 augustus 2013
Publicatiedatum
15 oktober 2013
Zaaknummer
12/02007
Rechtsgebied
Strafrecht
Soort
Conclusie

Inhoudsindicatie

HR: art. 81.1 RO.

conclusie inzake:

[verdachte]

1.1 Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld tegen een op 24 november 2011 uitgesproken arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarbij de verdachte wegens 'medeplegen van poging tot zware mishandeling’ is veroordeeld tot 2 maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en 30 uren werkstraf, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 dagen hechtenis, met bijkomende beslissingen als in het arrest vermeld.

1.2 Namens de verdachte heeft mr. E.A.A. Charry, advocaat te Amsterdam, middelen van cassatie voorgesteld.

2.1 Het eerste middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte heeft aangemerkt als medepleger van de poging tot zware mishandeling van [betrokkene].

Het kan zo zijn dat - zoals in de toelichting wordt betoogd - getuigen wier verklaringen voor het bewijs zijn gebezigd op enig moment in het onderzoek niet voor het bewijs gebezigde afwijkende verklaringen hebben afgelegd die voor de verdachte gunstiger zijn, en dat die verklaringen in de visie van de verdediging veel betrouwbaarder zijn, maar dat is in cassatie geen punt van onderzoek meer. Daarmee zou immers het aan de feitenrechter voorbehouden domein van selectie en waardering van het voorhanden bewijsmateriaal worden betreden. Dat valt buiten de mogelijkheden van de cassatierechter. Voor het overige geldt dat het middel faalt omdat het bewezenverklaarde uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

2.2 Ook het tweede middel, dat klaagt over de (gedeeltelijke) verwerping van het beroep op noodweer, is tevergeefs voorgesteld. In de toelichting op dit middel wordt eveneens een beroep gedaan op verklaringen die door het Hof terzijde zijn geschoven, zodat ook voor dit middel geldt dat het de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter miskent. Voor het overige geldt dat de verwerping van het beroep op noodweer op grond van de door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheid niet getuigt van een onjuiste opvatting en niet onbegrijpelijk is.

Het middel faalt.

3.1 De middelen lenen zich voor toepassing van art. 81 RO.

3.2 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

wnd A-G

Volledige tekst

Nr. 12/02007

Mr. Wortel

Zitting 27 augustus 2013

conclusie inzake:

[verdachte]

1.1 Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld tegen een op 24 november 2011 uitgesproken arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarbij de verdachte wegens 'medeplegen van poging tot zware mishandeling’ is veroordeeld tot 2 maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en 30 uren werkstraf, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 dagen hechtenis, met bijkomende beslissingen als in het arrest vermeld.

1.2 Namens de verdachte heeft mr. E.A.A. Charry, advocaat te Amsterdam, middelen van cassatie voorgesteld.

2.1 Het eerste middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte heeft aangemerkt als medepleger van de poging tot zware mishandeling van [betrokkene].

Het kan zo zijn dat - zoals in de toelichting wordt betoogd - getuigen wier verklaringen voor het bewijs zijn gebezigd op enig moment in het onderzoek niet voor het bewijs gebezigde afwijkende verklaringen hebben afgelegd die voor de verdachte gunstiger zijn, en dat die verklaringen in de visie van de verdediging veel betrouwbaarder zijn, maar dat is in cassatie geen punt van onderzoek meer. Daarmee zou immers het aan de feitenrechter voorbehouden domein van selectie en waardering van het voorhanden bewijsmateriaal worden betreden. Dat valt buiten de mogelijkheden van de cassatierechter. Voor het overige geldt dat het middel faalt omdat het bewezenverklaarde uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

2.2 Ook het tweede middel, dat klaagt over de (gedeeltelijke) verwerping van het beroep op noodweer, is tevergeefs voorgesteld. In de toelichting op dit middel wordt eveneens een beroep gedaan op verklaringen die door het Hof terzijde zijn geschoven, zodat ook voor dit middel geldt dat het de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter miskent. Voor het overige geldt dat de verwerping van het beroep op noodweer op grond van de door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheid niet getuigt van een onjuiste opvatting en niet onbegrijpelijk is.

Het middel faalt.

3.1 De middelen lenen zich voor toepassing van art. 81 RO.

3.2 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

wnd A-G

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.