Conclusie · Insolventierecht
Parket bij de Hoge Raad, 17 december 2010
ECLI:NL:PHR:2010:BO4481Zaaknummer 10/03442
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 17 december 2010
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 10/03442
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Civiel recht, Insolventierecht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
WSNP. Afwijzing verzoek tot uitspreken van toepassing van de schuldsaneringsregeling. Belastingschulden te goeder trouw ontstaan (art. 288 lid 1 onder a F.)? (art. 81 RO).
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1. [Verzoeker] is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [betrokkene 1], die ook een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft gedaan. Dat verzoek speelt in de onderhavige zaak geen rol.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Zaaknummer: 10/03442
mr. Wuisman
Parketdatum: 5 november 2010
CONCLUSIE inzake:
[Verzoeker],
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen.
1. Voorgeschiedenis
1.1 [Verzoeker], die vanaf november 2006 als eenmanszaak een schoonmaak- en onderhoudsbedrijf heeft uitgeoefend dat hij op een later moment in een hem toebehorende besloten vennootschap heeft ingebracht, heeft eerst bij de rechtbank Zwolle, zittingsplaats Lelystad, en vervolgens, na een verhuizing, op 4 maart 2010 bij de rechtbank Amsterdam een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend.((1)) Begin maart 2010 bedroeg volgens opgave diens schuldenlast € 166.924,40. Tot de schulden behoren op naam van [verzoeker] staande belastingschulden.
1.2 Bij vonnis d.d. 1 juni 2010 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen. Dit vonnis bekrachtigt het hof Amsterdam bij arrest van 23 juni 2010. Naar het oordeel van het hof moeten de belastingschulden geacht worden niet te goeder trouw te zijn ontstaan. De voor betalingsonmacht aangevoerde rechtvaardigingsgrond voor het niet voldoen van de schulden, te weten fraude althans onrechtmatig handelen van werknemers, acht het hof onvoldoende onderbouwd. Bovendien ontslaat die grond, aldus het hof, niet van de betalingsverplichting. Verder is het hof van oordeel dat het feit dat [verzoeker] geen eenmanszaak meer drijft, niet voldoende om een beroep op artikel 288 lid 3 Fw te honoreren (rov. 2.4).
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1 Onder 4.3 t/m 4.5 worden klachten aangevoerd in verband met het oordeel van het hof dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het onbetaald laten van de belastingschulden te goeder trouw is geweest (artikel 288 lid 1, sub b, Fw). De klachten gaan niet op.
2.1.1 Wat er van de in 4.3 genoemde verfijningen ook zij, zij laten onverlet dat ook de belastingschulden, die te maken hebben met de uitoefening van de eenmanszaak, schulden zijn die op naam van [verzoeker] staan en door hem zijn te voldoen. Het oordeel van het hof dat [verzoeker] de aangevoerde rechtvaardigingsgrond voor de betalingsonmacht onvoldoende onderbouwd heeft, wordt als zodanig niet bestreden. Dat bijgevolg voor juist te houden oordeel brengt reeds mee dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het niet voldoen van de belastingschulden te goeder trouw is geschied en dat dus een voorwaarde voor honorering van het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling niet in vervulling is gegaan.
2.1.2 In 4.4 wordt uit het oog verloren dat het hof bij zijn oordeelsvorming de schulden van de BV niet in aanmerking heeft genomen.
2.1.3 Voor het betoog in 4.5 is geen (voldoende) grondslag in de stukken te vinden.
2.2 In 4.6 wordt opgekomen tegen de afwijzing door het hof van het beroep op artikel 288 lid 3 Fw. Tevergeefs, want uit feit dat de eenmanszaak in de BV is ingebracht hoeft niet zonder meer te volgen dat [verzoeker] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen. Niet alleen heeft [verzoeker] onvoldoende inzicht in die omstandigheden gegeven, maar omvatte de schuldenlast ook niet aan de eenmanszaak gerelateerde schulden. Bovendien gaat het in artikel 288 lid 3 Fw om een discretionaire bevoegdheid. Dat die bevoegdheid door het hof op onjuiste of onbegrijpelijke wijze is uitgeoefend wordt niet genoegzam aangetoond.
2.3 Alle aangevoerde klachten falen derhalve.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1. [Verzoeker] is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [betrokkene 1], die ook een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft gedaan. Dat verzoek speelt in de onderhavige zaak geen rol.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:2010:BO4481 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2010:BO4481 Hoge Raad, 17 december 2010 (insolventierecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.