Conclusie · Strafrecht
Parket bij de Hoge Raad, 23 november 2010
ECLI:NL:PHR:2010:BN7103Zaaknummer 09/01538 P
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 23 november 2010
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 09/01538 P
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
Profijtontneming. Redelijke termijn. Betrokkene bevond zich ten tijde van het instellen van het cassatieberoep tegen de onderhavige ontnemingsbeslissing niet in voorlopige hechtenis. Daarom geldt hier een inzendingstermijn van acht maanden (vgl. HR LJN BD2578).
Conclusie inzake:
[Betrokkene]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft aan betrokkene bij arrest van 27 januari 2009 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd aan de Staat te betalen een bedrag van € 44.710,74.
2. Mr. J.A. Huibers, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Mr. S.M. Krans, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.
3.1 Het middel klaagt over de schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. Op 9 februari 2009 heeft verdachte cassatie ingesteld terwijl de stukken eerst op 5 oktober 2009 ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen.
3.2 Het middel is terecht voorgesteld. In de met de onderhavige ontnemingszaak samenhangende strafzaak(1), die (nagenoeg) gelijktijdig hebben gediend(2), heeft de betrokkene als verdachte preventief gedetineerd gezeten. De door de Hoge Raad in dergelijke gevallen op zes maanden gestelde inzendtermijn is met twee maanden overschreden. Ambtshalve merk ik voorts op dat, aangezien vandaag al meer dan zestien maanden zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, ook in dat opzicht is overschreden. Nu in de samenhangende strafzaak ter zake van de overschrijding van de redelijke termijn geen korting heeft plaatsgevonden, zal een en ander er toe dienen te leiden dat de opgelegde betalingsverplichting door de Hoge Raad wordt verminderd.
4. Ambtshalve heb ik geen andere grond aangetroffen die tot vernietiging dient te leiden.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, tot vermindering daarvan conform de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 In de strafzaak heeft het Hof het Openbaar Ministerie bij arrest van 13 januari 2009 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
2 Vgl. HR 9 januari 2001, NJ 2001, 307, rov. 3.5 en HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov. 3.6.
Volledige tekst
Nr. 09/01538 P
Mr. Machielse
Zitting 7 september 2010
Conclusie inzake:
[Betrokkene]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft aan betrokkene bij arrest van 27 januari 2009 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd aan de Staat te betalen een bedrag van € 44.710,74.
2. Mr. J.A. Huibers, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Mr. S.M. Krans, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.
3.1 Het middel klaagt over de schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. Op 9 februari 2009 heeft verdachte cassatie ingesteld terwijl de stukken eerst op 5 oktober 2009 ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen.
3.2 Het middel is terecht voorgesteld. In de met de onderhavige ontnemingszaak samenhangende strafzaak(1), die (nagenoeg) gelijktijdig hebben gediend(2), heeft de betrokkene als verdachte preventief gedetineerd gezeten. De door de Hoge Raad in dergelijke gevallen op zes maanden gestelde inzendtermijn is met twee maanden overschreden. Ambtshalve merk ik voorts op dat, aangezien vandaag al meer dan zestien maanden zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, ook in dat opzicht is overschreden. Nu in de samenhangende strafzaak ter zake van de overschrijding van de redelijke termijn geen korting heeft plaatsgevonden, zal een en ander er toe dienen te leiden dat de opgelegde betalingsverplichting door de Hoge Raad wordt verminderd.
4. Ambtshalve heb ik geen andere grond aangetroffen die tot vernietiging dient te leiden.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, tot vermindering daarvan conform de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 In de strafzaak heeft het Hof het Openbaar Ministerie bij arrest van 13 januari 2009 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
2 Vgl. HR 9 januari 2001, NJ 2001, 307, rov. 3.5 en HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov. 3.6.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:2010:BN7103 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2010:BN7103 Hoge Raad, 23 november 2010 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.