Conclusie · Strafrecht
Parket bij de Hoge Raad, 25 mei 2010
ECLI:NL:PHR:2010:BM4132Zaaknummer 09/00585
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 25 mei 2010
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 09/00585
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
HR: art. 81 RO.
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, bij arrest van 5 februari 2009 wegens strafbare feiten veroordeeld tot straf, een en ander als in het arrest vermeld. Voorts bevat het arrest enige bijkomende beslissingen met betrekking tot de benadeelde partijen en een inbeslaggenomen voorwerp, een en ander eveneens als in het arrest vermeld.
2. Namens verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Anders dan het eerste middel wil wordt ten aanzien van feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan een oordeel over de betrouwbaarheid van een voor het bewijs gebezigde verklaring van een getuige niet geëist dat deze alle in het arrest worden vermeld onder opgave van het wettig bewijsmiddel waaraan deze zijn ontleend.(1) Door te volstaan met verwijzing naar een aantal, met name genoemde, verklaringen die de verklaring van de getuige op wezenlijke en karakteristieke onderdelen ondersteunen wordt het oordeel van het Hof over de betrouwbaarheid van de voor het bewijs gebezigde verklaring van de getuige noch onbegrijpelijk noch ontoereikend gemotiveerd.
4. Het middel faalt.
5. Het tweede middel berust op de opvatting dat terugkeer naar haar ouders voor de getuige [getuige] een in beginsel veilig, voor de getuige openstaand alternatief was. Kennelijk was dat in elk geval in de beleving van [getuige] niet het geval. Zoals het Hof immers heeft overwogen heeft zij verklaard (p. 10 van het arrest) dat zij ruzie had gekregen met haar ouders en toen was weggelopen alsmede dat zij wel moest blijven werken omdat verdachte haar anders zou terugsturen naar haar ouders. Het middel mist dus feitelijke grondslag.
6. Het middel faalt.
7. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 23 oktober 2007, LJN BA5851, NJ 2008, 69, rov. 3.6.
Volledige tekst
Nr. 09/00585
Mr. Vellinga
Zitting: 20 april 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, bij arrest van 5 februari 2009 wegens strafbare feiten veroordeeld tot straf, een en ander als in het arrest vermeld. Voorts bevat het arrest enige bijkomende beslissingen met betrekking tot de benadeelde partijen en een inbeslaggenomen voorwerp, een en ander eveneens als in het arrest vermeld.
2. Namens verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Anders dan het eerste middel wil wordt ten aanzien van feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan een oordeel over de betrouwbaarheid van een voor het bewijs gebezigde verklaring van een getuige niet geëist dat deze alle in het arrest worden vermeld onder opgave van het wettig bewijsmiddel waaraan deze zijn ontleend.(1) Door te volstaan met verwijzing naar een aantal, met name genoemde, verklaringen die de verklaring van de getuige op wezenlijke en karakteristieke onderdelen ondersteunen wordt het oordeel van het Hof over de betrouwbaarheid van de voor het bewijs gebezigde verklaring van de getuige noch onbegrijpelijk noch ontoereikend gemotiveerd.
4. Het middel faalt.
5. Het tweede middel berust op de opvatting dat terugkeer naar haar ouders voor de getuige [getuige] een in beginsel veilig, voor de getuige openstaand alternatief was. Kennelijk was dat in elk geval in de beleving van [getuige] niet het geval. Zoals het Hof immers heeft overwogen heeft zij verklaard (p. 10 van het arrest) dat zij ruzie had gekregen met haar ouders en toen was weggelopen alsmede dat zij wel moest blijven werken omdat verdachte haar anders zou terugsturen naar haar ouders. Het middel mist dus feitelijke grondslag.
6. Het middel faalt.
7. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 23 oktober 2007, LJN BA5851, NJ 2008, 69, rov. 3.6.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHAMS:2009:BH2476 http://psi.rechtspraak.nl/conclusieVoorCassatie
- ECLI:NL:HR:2010:BM4132 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2010:BM4132 Hoge Raad, 25 mei 2010 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2009:BH2476 Gerechtshof Amsterdam, 5 februari 2009 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.