Conclusie · Strafrecht
Parket bij de Hoge Raad, 13 oktober 2009
ECLI:NL:PHR:2009:BJ3725Zaaknummer 08/04615
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 13 oktober 2009
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 08/04615
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
Strafoplegging. Het middel is terecht voorgesteld op gronden als vermeld in conclusie AG (voor een opzettelijk begaan Opiumwetdelict kan geen hechtenis worden opgelegd).
Conclusie inzake:
[Verdachte = verzoeker]
1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft verzoeker bij arrest van 25 augustus 2008 wegens 1. medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in art. 2 onder B Opiumwet gegeven verbod en 2. opzettelijk handelen in strijd met het in art. 2 onder C Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, veroordeeld tot vijf weken hechtenis. Voorts heeft het hof de teruggave gelast aan verzoeker van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 16,-.
2. Namens verzoeker heeft mr. V.G. Kraal, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.
3. Het middel klaagt - kort gezegd - over de strafoplegging.
4. Blijkens het bestreden arrest heeft het hof de opgelegde vrijheidsstraf als volgt gemotiveerd:
"Veroordeelt de verdachte tot hechtenis voor de duur van 5 (vijf) WEKEN.
(...)
Deze strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het feit, mede gelet op de persoon van de verdachte, zijn draagkracht en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
Al het vorenstaande overwegende, acht het hof oplegging van de hierboven vermelde straf passend en geboden."
5. Het middel slaagt. Voor een opzettelijk begaan Opiumwetdelict - zoals in casu bewezenverklaard - kan geen hechtenis worden opgelegd; deze straf is voorbehouden voor de niet-opzettelijke vormen van drugsdelicten: de overtredingen (art. 10, eerste lid; art. 11, eerste lid; art. 13, eerste lid, Opiumwet).
6. Bovendien schiet de strafmotivering tekort - zo merk ik ambtshalve op - aangezien het hof de keuze voor deze vrijheidsstraf niet in overeenstemming met het bepaalde in art. 359, zesde lid, Sv in het bijzonder heeft gemotiveerd.
7. Verdere ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam, teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Volledige tekst
Mr Jörg
Nr. S 08/04615
Zitting 7 juli 2009 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Verdachte = verzoeker]
1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft verzoeker bij arrest van 25 augustus 2008 wegens 1. medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in art. 2 onder B Opiumwet gegeven verbod en 2. opzettelijk handelen in strijd met het in art. 2 onder C Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, veroordeeld tot vijf weken hechtenis. Voorts heeft het hof de teruggave gelast aan verzoeker van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 16,-.
2. Namens verzoeker heeft mr. V.G. Kraal, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.
3. Het middel klaagt - kort gezegd - over de strafoplegging.
4. Blijkens het bestreden arrest heeft het hof de opgelegde vrijheidsstraf als volgt gemotiveerd:
"Veroordeelt de verdachte tot hechtenis voor de duur van 5 (vijf) WEKEN.
(...)
Deze strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het feit, mede gelet op de persoon van de verdachte, zijn draagkracht en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
Al het vorenstaande overwegende, acht het hof oplegging van de hierboven vermelde straf passend en geboden."
5. Het middel slaagt. Voor een opzettelijk begaan Opiumwetdelict - zoals in casu bewezenverklaard - kan geen hechtenis worden opgelegd; deze straf is voorbehouden voor de niet-opzettelijke vormen van drugsdelicten: de overtredingen (art. 10, eerste lid; art. 11, eerste lid; art. 13, eerste lid, Opiumwet).
6. Bovendien schiet de strafmotivering tekort - zo merk ik ambtshalve op - aangezien het hof de keuze voor deze vrijheidsstraf niet in overeenstemming met het bepaalde in art. 359, zesde lid, Sv in het bijzonder heeft gemotiveerd.
7. Verdere ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam, teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:2009:BJ3725 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2009:BJ3725 Hoge Raad, 13 oktober 2009 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.