Conclusie · Strafrecht
Parket bij de Hoge Raad, 8 september 2009
ECLI:NL:PHR:2009:BI4426Zaaknummer 08/01568
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 8 september 2009
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 08/01568
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
Strafvermindering i.v.m. schending redelijke termijn.
Conclusie inzake:
[Verdachte](1)
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 3 juli 2007 voor 3. medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 (oud) van de Opiumwet, voorbereiden, door zich of een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen; en 4. deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar.
2. Mr. B.Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Mr. A.N. Slijters, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.
3.1. Het middel klaagt in de eerste plaats dat de redelijke termijn is geschonden in de appelfase sinds het instellen van het hoger beroep.
3.2. Nu de gelegenheid heeft bestaan bij het hof over het tijdsverloop te klagen kan zo een bezwaar niet voor het eerst in cassatie worden opgeworpen.(2)
4.1. In de tweede plaats klaagt het middel dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden. Op 13 juli 2007 is cassatie ingesteld, maar het dossier is eerst op 30 oktober 2008 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.
4.2. De door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn is aldus met zeven maanden en 17 dagen overschreden, hetgeen tot een verlaging van de opgelegde straf behoort te leiden. Ik wijs er voorts op dat verdachte gedetineerd is en dat sinds de dag dat het cassatieberoep werd ingesteld al ruim meer dan 16 maanden zijn verstreken, zodat ook daarom de redelijke termijn in cassatie is geschonden.
5. Het middel is gedeeltelijk gegrond. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
6. Deze conclusie strekt tot verlaging van de opgelegde straf.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met 07/10206 ([medeverdachte 7]), 07/10134 ([medeverdachte 1]), 08/00379 ([medeverdachte 3]), 07/10403 ([medeverdachte 2]) en 08/04492 ([medeverdachte 5]), in welke zaken ik ook vandaag concludeer.
2 HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358 m.nt. Mevis, tov. 3.9.
Volledige tekst
Nr. 08/01568
Mr. Machielse
Zitting 12 mei 2009
Conclusie inzake:
[Verdachte](1)
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 3 juli 2007 voor 3. medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 (oud) van de Opiumwet, voorbereiden, door zich of een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen; en 4. deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar.
2. Mr. B.Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Mr. A.N. Slijters, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.
3.1. Het middel klaagt in de eerste plaats dat de redelijke termijn is geschonden in de appelfase sinds het instellen van het hoger beroep.
3.2. Nu de gelegenheid heeft bestaan bij het hof over het tijdsverloop te klagen kan zo een bezwaar niet voor het eerst in cassatie worden opgeworpen.(2)
4.1. In de tweede plaats klaagt het middel dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden. Op 13 juli 2007 is cassatie ingesteld, maar het dossier is eerst op 30 oktober 2008 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.
4.2. De door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn is aldus met zeven maanden en 17 dagen overschreden, hetgeen tot een verlaging van de opgelegde straf behoort te leiden. Ik wijs er voorts op dat verdachte gedetineerd is en dat sinds de dag dat het cassatieberoep werd ingesteld al ruim meer dan 16 maanden zijn verstreken, zodat ook daarom de redelijke termijn in cassatie is geschonden.
5. Het middel is gedeeltelijk gegrond. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
6. Deze conclusie strekt tot verlaging van de opgelegde straf.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met 07/10206 ([medeverdachte 7]), 07/10134 ([medeverdachte 1]), 08/00379 ([medeverdachte 3]), 07/10403 ([medeverdachte 2]) en 08/04492 ([medeverdachte 5]), in welke zaken ik ook vandaag concludeer.
2 HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358 m.nt. Mevis, tov. 3.9.
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:2009:BI4426 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2009:BI4426 Hoge Raad, 8 september 2009 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.