Conclusie · Strafrecht
Parket bij de Hoge Raad, 29 januari 2008
ECLI:NL:PHR:2008:BC2338Zaaknummer 03221/06
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 29 januari 2008
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 03221/06
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
Ontvankelijkheid in cassatie. Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als in de wet bedoeld. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gedaan. De schriftuur voldoet niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moet blijven.
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vervalst is" veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met twee jaren proeftijd.
2. Namens verdachte heeft mr. P. Jeeninga, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
3. In de schriftuur wordt aangevoerd dat art. 587 Sv en 6 lid 1 EVRM zijn geschonden. De onderbouwing behelst een betoog dat er in de kern op neerkomt dat de in het Wetboek van Strafvordering neergelegde regeling met betrekking tot het betekenen van dagvaardingen niet aan de eisen van art. 6 EVRM voldoet.
4. Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als bedoeld in art. 437 Sv. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. (HR 19 november 2002, LJN AE1171). De hiervoor omschreven inhoud van de schriftuur voldoet niet aan deze eis. Derhalve heeft de verdachte niet door zijn raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend, hetgeen gelet op het bepaalde in art. 437 lid 2 Sv niet-ontvankelijkheid ten gevolge heeft.
5. Overigens wordt in het in de schriftuur verwoorde betoog over het hoofd gezien dat de Regeling van 3 juni 2004, nr. 5287706/504, Stcrt 2004, nr 123, p. 13 niet voorziet in uitreiking door een rechter, daar een rechter niet wordt genoemd in het in de Regeling genoemde art. 14 lid 2 Wet RO.
6. Deze conclusie strekt ertoe dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Volledige tekst
Nr. 03221/06
Mr. Vellinga
Zitting: 27 november 2007
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vervalst is" veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met twee jaren proeftijd.
2. Namens verdachte heeft mr. P. Jeeninga, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
3. In de schriftuur wordt aangevoerd dat art. 587 Sv en 6 lid 1 EVRM zijn geschonden. De onderbouwing behelst een betoog dat er in de kern op neerkomt dat de in het Wetboek van Strafvordering neergelegde regeling met betrekking tot het betekenen van dagvaardingen niet aan de eisen van art. 6 EVRM voldoet.
4. Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als bedoeld in art. 437 Sv. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. (HR 19 november 2002, LJN AE1171). De hiervoor omschreven inhoud van de schriftuur voldoet niet aan deze eis. Derhalve heeft de verdachte niet door zijn raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend, hetgeen gelet op het bepaalde in art. 437 lid 2 Sv niet-ontvankelijkheid ten gevolge heeft.
5. Overigens wordt in het in de schriftuur verwoorde betoog over het hoofd gezien dat de Regeling van 3 juni 2004, nr. 5287706/504, Stcrt 2004, nr 123, p. 13 niet voorziet in uitreiking door een rechter, daar een rechter niet wordt genoemd in het in de Regeling genoemde art. 14 lid 2 Wet RO.
6. Deze conclusie strekt ertoe dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:2008:BC2338 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2008:BC2338 Hoge Raad, 29 januari 2008 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.