Conclusie · Strafrecht

Parket bij de Hoge Raad, 8 mei 2001

ECLI:NL:PHR:2001:ZD2673Zaaknummer 02956/00 P

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
8 mei 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
02956/00 P
Rechtsgebied
Strafrecht
Soort
Conclusie

Inhoudsindicatie

-

Conclusie inzake:

[Verzoeker = verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij arrest van 10 december 1999 heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage het vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage bevestigd waarbij aan verzoeker de verplichting is opgelegd tot betaling van een bedrag aan de Staat ad ƒ 44.000,=, subsidiair 169 dagen hechtenis, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

2. Namens verzoeker heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.(1)

3. Het middel in deze ontnemingszaak borduurt louter voort op de inhoud van de twee door mr. Spong in de hoofdzaak ingediende cassatiemiddelen. Het middel in deze zaak berust namelijk op de stelling dat gegrondbevinding van (één van) de cassatiemiddelen in de hoofdzaak meebrengt dat niet zonder meer gesproken kan worden van "wederrechtelijk" genoten voordeel door verzoeker.

4. In de jegens verzoeker gewezen hoofdzaak, gr.nr. 02976/00, heb ik heden geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Eenvoudigheidshalve verwijs ik daartoe naar de hieraan gehechte kopie van mijn in die zaak genomen conclusie.

3. Het middel is faalt dus.

4. Nu ik ambtshalve geen gronden tot cassatie heb aangetroffen, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 Deze zaak hangt samen met de hoofdzaak van verzoeker, bekend onder gr.nr. 02976/00, waarin ik eveneens heden concludeer. Deze zaak hangt voorts samen met de zaken die bekend zijn onder de oplopende gr.nrs 02952/00 tot en met 02955/00 en 02957/00 alsook 02976/00, waarin ik ook vandaag concludeer.

Volledige tekst

Nr. 02956/00 P

Mr. Machielse

Zitting: 13 maart 2001

Conclusie inzake:

[Verzoeker = verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij arrest van 10 december 1999 heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage het vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage bevestigd waarbij aan verzoeker de verplichting is opgelegd tot betaling van een bedrag aan de Staat ad ƒ 44.000,=, subsidiair 169 dagen hechtenis, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

2. Namens verzoeker heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.(1)

3. Het middel in deze ontnemingszaak borduurt louter voort op de inhoud van de twee door mr. Spong in de hoofdzaak ingediende cassatiemiddelen. Het middel in deze zaak berust namelijk op de stelling dat gegrondbevinding van (één van) de cassatiemiddelen in de hoofdzaak meebrengt dat niet zonder meer gesproken kan worden van "wederrechtelijk" genoten voordeel door verzoeker.

4. In de jegens verzoeker gewezen hoofdzaak, gr.nr. 02976/00, heb ik heden geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Eenvoudigheidshalve verwijs ik daartoe naar de hieraan gehechte kopie van mijn in die zaak genomen conclusie.

3. Het middel is faalt dus.

4. Nu ik ambtshalve geen gronden tot cassatie heb aangetroffen, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 Deze zaak hangt samen met de hoofdzaak van verzoeker, bekend onder gr.nr. 02976/00, waarin ik eveneens heden concludeer. Deze zaak hangt voorts samen met de zaken die bekend zijn onder de oplopende gr.nrs 02952/00 tot en met 02955/00 en 02957/00 alsook 02976/00, waarin ik ook vandaag concludeer.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.