Conclusie · Civiel recht
Parket bij de Hoge Raad, 13 april 2001
ECLI:NL:PHR:2001:AB1075Zaaknummer R01/013HR
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum conclusie
- 13 april 2001
- Publicatiedatum
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- R01/013HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Soort
- Conclusie
Inhoudsindicatie
-
De conclusie strekt:
a. tot niet-ontvankelijk verklaring van verzoekers in hun cassatieberoep;
b. tot onbevoegdverklaring van de Hoge Raad om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding, als bedoeld in art. 35 Wet Bopz, en tot verwijzing van het verzoekschrift naar de rechtbank te Utrecht.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 De bevoegde rechter in de Wet Bopz is de rechtbank (art. 1 lid 4 Wet Bopz).
2 HR 16 augustus 1996, NJ 1997, 357 en 358 m.nt. JdB. Burgerlijke Rechtsvordering, Doek en Wesseling-van Gent, art. 429e, aant. 4.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
R 01/013 HR
Mr. F.F. Langemeijer
MB (Wet BOPZ)
Parket, 9 februari 2001
Conclusie inzake het verzoek van:
[Verzoekster 1] en [Verzoeker 2]
Edelhoogachtbaar College,
1. De feiten en het procesverloop
1.1. Uit het verzoekschrift en de bijlagen blijkt dat ten aanzien van de eerste verzoekster ([verzoekster 1], hierna ook aangeduid als betrokkene) de volgende rechterlijke beslissingen zijn genomen:
a. een beschikking van de rechtbank te Utrecht d.d. 8 april 1999, houdende machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene;
b. een beschikking van de rechtbank te Utrecht d.d. 3 mei 1999, houdende voorlopige machtiging tot het doen opnemen en doen verblijven van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis;
c. een beschikking van de rechtbank te Utrecht d.d. 12 oktober 2000, houdende voorlopige machtiging tot het doen opnemen en doen verblijven van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis.
1.2. In een verzoekschrift, ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 23 januari 2001 en aangeduid als "cassatieverzoek inzake toepassingen Wet BOPZ op [verzoekster 1] te [woonplaats] in de periodes april/mei/juni 1999 en oktober 2000", zijn aan Uw Raad de volgende verzoeken gedaan:
(i) vast te stellen dat de toepassingen van de Wet Bijzondere Opnemingen Psychiatrische Ziekenhuizen op [verzoekster 1] niet door de beugel kunnen (zie blz. 1);
(ii) genoegdoening teneinde de geleden schade m.b.t. het aangedaan onrecht aan [verzoekster 1] te kunnen compenseren (zie blz. 10, alwaar ook wordt verwezen naar art. 35 Wet Bopz).
2. Bespreking van het verzoek
2.1. Voor zover het verzoek bedoeld is als beroep in cassatie tegen de hierboven genoemde rechterlijke beschikkingen, zijn verzoekers in dit beroep niet-ontvankelijk. Art. 426a, lid 1, Rv schrijft voor, dat het verzoekschrift, houdende beroep in cassatie, wordt ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Aan dit vereiste is niet voldaan. Ten overvloede zij vermeld dat het cassatieberoep ook om een andere reden niet-ontvankelijk is. Tegen de (onder a genoemde) beschikking op de vordering tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling staat geen gewoon rechtsmiddel open (art. 29 lid 5 Wet Bopz). Tegen de (onder b en c genoemde) beschikkingen houdende voorlopige machtiging is weliswaar cassatieberoep mogelijk, maar binnen de termijn van twee maanden na dagtekening van de beschikking (zie art. 426 lid 1 Rv). Uit de hierboven weergegeven feiten volgt, dat het cassatieberoep te laat is ingesteld.
2.2. Voor zover het verzoekschrift bedoeld is als een zelfstandig verzoek om schadevergoeding, in de zin van art. 35 Wet Bopz, is het gericht aan het verkeerde adres. Art. 78 Wet Bopz verklaart de Twaalfde titel van Boek 1 Rv (de bepalingen van de verzoekschriftprocedure), behoudens art. 429d, derde lid, Rv, van toepassing op verzoekschriften als bedoeld in art. 35 Wet Bopz. Dit betekent, dat het verzoek weliswaar zonder tussenkomst van een procureur kan worden ingediend, maar gericht dient te worden tot de rechtbank als absoluut bevoegde rechter(1). Op grond van art. 429e Rv, in verbinding met art. 78 Wet Bopz, zal Uw Raad zich onbevoegd kunnen verklaren zonder voorafgaande oproeping van verzoekers. Art. 429e Rv schrijft geen verwijzing naar de wel bevoegde rechter voor, maar de overeenkomstige toepassing van art. 157a (eerste lid) Rv is in de rechtspraak reeds aanvaard(2). Gelet op de woonplaats van verzoekers (art. 429c lid 1 Rv), is de rechtbank te Utrecht de relatief bevoegde rechter. Of het verzoek tijdig is ingediend, d.w.z. binnen de in art. 35 lid 2 Wet Bopz aangegeven termijn, kan worden beoordeeld door de rechter naar wie de zaak wordt verwezen.
3. Conclusie
De conclusie strekt:
a. tot niet-ontvankelijk verklaring van verzoekers in hun cassatieberoep;
b. tot onbevoegdverklaring van de Hoge Raad om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding, als bedoeld in art. 35 Wet Bopz, en tot verwijzing van het verzoekschrift naar de rechtbank te Utrecht.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 De bevoegde rechter in de Wet Bopz is de rechtbank (art. 1 lid 4 Wet Bopz).
2 HR 16 augustus 1996, NJ 1997, 357 en 358 m.nt. JdB. Burgerlijke Rechtsvordering, Doek en Wesseling-van Gent, art. 429e, aant. 4.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 35 BWBR0005700
- Artikel 78 BWBR0005700
- Artikel 426a Rv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 426 Rv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 429d Rv
- Artikel 429e Rv
- Artikel 429c Rv
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:2001:AB1075 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2001:AB1075 Hoge Raad, 13 april 2001 (civiel recht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.